roeiend op weg naar Tyrus, terwijl regen dreigt


318.4

Maria Valtorta:

'Eenmaal de stroom mee, geeft hij het roer aan Matteüs en zegt:

"Jij, om ons goed te villen, kwam vroeger mee vissen als wij aan het vissen waren,

en jij weet er heel goed mee om te gaan!"


Dan gaat hij in de boeg zitten, met zijn rug naar de voorsteven,

op de eerste bank, met Andreas naast zich.


Voor hem roeien Jakobus en Johannes van Zebedeüs,

met een gestaag, krachtig ritme.

De boot beweegt soepel en snel,

ondanks het zware gewicht,

scheert langs de zijkanten van grote schepen,

vanwaar lof klinkt voor het perfecte roeien.



En dan is daar de open zee, buiten de dammen...

Ptolemaïs trekt voorbij de ogen van de vertrekkenden,

uitgestrekt als het is aan de kust, met de haven ten zuiden van de stad.


In de boot heerst absolute stilte.

Alleen het gekraak van de roeispanen in de roeidoppen is te horen.


Na lange tijd, en Ptolemaïs al voorbij, zegt Petrus:

"Maar als er nou eens een beetje wind stond...

Maar niets! Geen zuchtje wind!"


"Als het maar niet regent!"

zegt Jakobus van Zebedeüs.

"Hmm! Het ziet er wel naar uit..."


Stilte en het moeizame roeien volgen elkaar lange tijd op.

Dan vraagt ​​Andreas: "Waarom heb jij die munten gekust?"

"Omdat die die voorgoed weggaan, afscheid nemen.

Ik zal ze nooit meer terugzien, en dat vind ik jammer.

Ik had ze liever aan een of andere ongelukkige gegeven...

Maar goed!... De boot is echt goed!

Stevig en degelijk gebouwd.

De beste in Ptolemaïs!


Daarom heb ik toegegeven aan de eisen van de eigenaar.

En ook, om niet te veel vragen te krijgen, over waar we heen gaan.

Daarom zei ik tegen hem: 'Om te gaan winkelen in de Witte Tuin'...



Oei! Oei! Het begint te regenen. Bedek jullie, wie kan,

en jij, Syntyche, geef Johannes het ei! Het is tijd...

Zeker met zo'n zee, dan heb je geen trek...

En wat zal Jezus doen? Wat zal hij toch doen?

Zonder kleren, zonder geld!

Maar waar zou hij nu zijn?"


'Hij zal voor ons bidden, natuurlijk!'

antwoordt Johannes van Zebedeüs.


"Al goed. Maar waar?..."

Niemand kan zeggen waar.


En de boot peddelt zwaar en moeizaam over de kop,

onder de loodgrijze hemel, op de zee van asgrauw bitumen,

in een motregen zo fijn als mist, irritant als een langdurig gekietel.


De bergen, die na een vlakte dichter bij de zee komen,

naderen de kust, paarsachtig in de mistige lucht.


De zee, vlakbij hen, blijft de ogen irriteren

met haar vreemde fosforescerende gloed;

verderop verdwijnt die,

in een wazige sluier.'


3 nov.1945

Reacties

Populaire posts van deze blog

Maria wil graag Elise terugzien, haar maatje in de tempel

Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd

Maria Magdalena, serafijn nu, mag zalven en aanraken