Anna: wilt U in Achzib mijn zieke schapen zegenen?
330.7
Maria Valtorta:
'"Zijn dit Uw discipelen? Zijn dit de enigen?"
"Nee. Ik heb er nog meer."
"En waarom zijn ze niet hier?
Eens, vlakbij Meron, ontmoette ik een groep van hen.
Ze werden geleid door een herder. Dat zeiden ze.
Een lange, stevige man, Elia genaamd.
Het was in oktober, geloof ik.
Voor of na het Loofhuttenfeest.
Heeft hij U nu verlaten?"
"Geen enkele discipel heeft Mij verlaten."
"Er werd mij verteld dat..."
"Wat?"
"Dat U... dat de Farizeeën...
Kortom, dat de discipelen U uit angst hadden verlaten,
en omdat U een..."
"Demon. Zeg het maar. Ik weet het.
Dubbele verdienste voor U dat U in dezelfde gelooft."
"En omwille van die verdienste... zou U niet...
maar misschien vraag ik wel iets heiligschennends..."
"Zeg het maar! Als het slecht is, zal Ik het u zeggen."
"Kunt U mijn kudde niet zegenen in het voorbijgaan?..."
De man is erg bezorgd...
"Ik zal uw kudde zegenen. Deze..."
en Hij heft zijn hand op en zegent de verspreide geiten,
"...en de schapen!... Gelooft u dat Mijn zegen hen zal redden?"
"Net zoals U mensen van ziekten redt, zo kunt U ook dieren redden.
Ze zeggen dat U de Zoon van God bent. God heeft de schapen geschapen.
Daarom behoren ze de Vader toe... Ik... ik wist niet...
of het wel gepast was om U dat te vragen.
Maar als het mogelijk is, doe het dan, Heer!
En ik zal grote lofoffers naar de Tempel brengen.
Nee, nee!... Ik zal ze aan U geven. Voor de armen.
En het zal beter zijn."
Jezus glimlacht en zwijgt.'
Reacties
Een reactie posten