machteloos tegenover de listige wereld
CCCLX
ONDERWEG NAAR JERUZALEM, AAN OVERZIJDE JORDAAN,
NA DAGEN VAN HEVIGE REGENVAL EN ELLENDE,
SLECHTE STEMMING ONDER DE APOSTELEN,
EVEN RUST IN EEN GROT...
360.8
Maria Valtorta:
'De eerste die wakker wordt, is de Zeloot.
Hij ziet Jezus nog steeds bij het vuur, brandend in de warme grot.
En door de stapel hout, die tot een schamele omvang is geslonken,
beseft hij dat er vele uren zijn verstreken.
Hij klimt uit zijn bed,
en sluipt naar Jezus toe.
"Meester, kom Je niet slapen?
Ik zal de wacht houden!"
"Het is dageraad, Simon.
Ik ben net even buiten geweest.
Ik zag de lucht al lichter worden."
"Maar waarom hebben Je ons niet geroepen?
Ook Jij bent vermoeid!"
"O, Simon! Ik had zo'n nood om na te denken...
en te bidden!" en Hij legt Zijn hoofd op zijn borst.
De Zeloot, die naast Hem zit, streelt Hem en zucht.
Hij vraagt: "Waarover nadenken, Meester?
Jij hoeft niet na te denken. Jij weet alles!"
"Niet nadenken over wat Ik moet zeggen, maar over wat ik moet doen.
Ik ben machteloos/ongewapend tegenover de listige wereld,
want Ik bezit niet de boosaardigheid van de wereld
en de sluwheid van Satan.
En de wereld overmeestert Mij...
En Ik ben zo moe..."
"En bedroefd. En wij dragen eraan bij...
goede Meester, die wij niet verdienen.
Vergeef mij en mijn metgezellen.
Ik zeg dit namens iedereen."
"Ik hou zoveel van jullie... Ik lijd zo...
waarom begrijpen jullie Mij zo vaak niet?"'
Reacties
Een reactie posten