nog meer bekenden, allen uitgenodigd tot het banket
368.11
Maria Valtorta:
'"O Maria van Simon, wanneer bent u toegekomen?"
"Nu. Met Ananias, mijn familielid... Ik zocht U ook, Heer..."
"Ik weet het. En ik heb Judas gestuurd om u te zeggen dat u moest komen.
Is hij niet gekomen?"
Judas' moeder buigt haar hoofd en mompelt:
"Ik ben meteen na hem naar Gethsemane gegaan.
Maar U was daarvandaan al vertrokken... Ik ben naar de Tempel gerend...
Nu vind ik U... Net op tijd om dit meisje te horen, al moeder en zo gelukkig!...
O, wat zou ik U graag net als haar willen vertellen, Heer, en over mijn pasgeboren Judas...
lief, lief... als een van deze kleine lammetjes..."
en snikkend wijst ze naar de blatende lammetjes die naar de offeraar komen.
Ze slaat haar mantel om, om haar tranen te verbergen.
"Kom met me mee, moeder.
We zullen bij Johanna thuis verderspreken.
Dit is niet de plaats daarvoor."
De discipelen nemen Maria, de moeder van Judas, mee in hun midden,
terwijl haar verwant Ananias zich onder hen mengt.
Dorcas en haar schoonmoeder voegen zich ook bij de discipelen,
en Maria, Alfeüs en Salome zijn in extase,
terwijl ze het kindje strelen.
Ze gaan naar de uitgang.
Maar voordat ze die bereiken, brengt een Romeinse slaaf
een met was beklede tablet naar Johanna, die hem leest en antwoordt:
"Je zult já zeggen! Vanmiddag bij mij thuis, in het paleis!"
En dan klinkt het gejuich van Jaïa en zijn moeder, die de Verlosser zien:
"Kijk, kijk, de Gever van licht! Gezegend zijt Gij, Licht van God!"
en ze buigen zich vol vreugde naar de grond.
De menigte verdringt zich,
vraagt, begrijpt en juicht.
En dan is er de oude Matthias,
de man die Jezus en zijn discipelen onderdak bood
in de stormachtige nacht bij Jabes-Gilead,
die Hem vereert en zegent.
En daarna de grootvader van Margziam, en de andere boeren,
tot wie Jezus, na met Johanna gesproken te hebben, zegt:
"Kom mee met Mij!" zoals Hij ook al tegen Dorcas,
Jaïa en Matthias had gezegd.'
Reacties
Een reactie posten