Petrus pleit voor voorzichtige omgang met kwade
369.6
Maria Valtorta:
'"Meester, ben Jij bang dat ik het eens was,
met Marcus van Josias?"
"Ik ben nergens bang voor."
"Ah! Goed! Want ik probeerde hem te overtuigen.
En ik denk dat het mijn plicht was. Niemand doet zoiets!
Ik heb ijver voor zielen!"
"Pas op dat jou niets overkomt!" zegt Petrus goedmenend.
"Wat bedoel je?" valt Judas aan.
"Niets meer dan dit: om iets aan te raken dat brandt,
moet je iets isolerends gebruiken."
"En wat dan, in dit geval?"
"Wat?... Een grote heiligheid!"
"En die heb ik niet, nietwaar?"
"Noch jij, noch ik, noch iemand van ons.
Daarom... zouden we verbrand kunnen raken,
en een brandmerk kunnen krijgen."
"En wie zal dan wel voor de zielen zorgen?"
"Voor nu, de Meester.
Later, wanneer wij, zoals Hij beloofd heeft, de middelen hebben om het te doen,
zullen wij het doen."
"Maar ik wil het eerder doen!
We kunnen nooit te vroeg voor de Heer werken!"
"Kijk, ik denk dat je gelijk hebt.
Maar ik denk dat het eerste werk voor de Heer in onszelf moet gebeuren.
Ergens heentrekken en heiligheid prediken aan anderen, voor je jezelf..."
"Dan ben je egoïstisch."
"Helemaal niet."
"Jawel."
"Nee."
De discussie begint.
Jezus komt tussenbeide:
"Petrus heeft grotendeels gelijk. Jij hebt ook beetje gelijk.
Want prediken moet gebaseerd zijn op feiten.
Heilig jezelf daarom, zodat je kunt zeggen:
'Doe wat ik zeg, want dat is juist.'
En dit ondersteunt wat Petrus zegt.
Maar het werken aan de geest van anderen,
dient ook om onze eigen geest te vormen,
omdat het ons dwingt onszelf te verbeteren,
zodat we geen kritiek van de bekeerling hoeven te verdragen.
Maar hier zijn we dan, bij het huis van Johanna...
Laten we naar binnen gaan, om te genieten van de liefde
die we voelen te midden van de medewerkers van de Heer
en om, met onze dáden, de toekomst te prediken!"'
Reacties
Een reactie posten