verschijning ontvangen is altijd genade (geen verdienste)
369.4
Maria Valtorta:
'Judas Thaddeüs vraagt:
"Kon Je het niet voortaan voor iedereen doen?
Ik bedoel: voor de twijfelaars, de schuldigen, de ontkenners.
Misschien een wonder..."
"Nee, neef. Een wonder doet veel goed, vooral een wonder van dit type,
wanneer het op het juiste moment en de juiste plaats wordt gegeven,
aan mensen die niet kwaadwillig zijn.
Gegeven aan kwaadwilligen,
vergroot het nog hun schuld,
omdat het hun trots vergroot.
Het geschenk van God beschouwen zij als een zwakheid van God,
die hen, de trotsen, smeekt om Hem toe te staan hen lief te hebben.
Zij zien de gave van God als een vrucht van hun grote verdiensten.
Ze zeggen bij zichzelf: 'God vernedert Zich voor mij, omdat ik heilig ben.'
Dat is hun complete ondergang, dus.
De ondergang van een Marcus van Josias, bijvoorbeeld,
en met hem van vele anderen... Wee, wee over hen
die dit satanische pad bewandelen!
De gave van God wordt dan veranderd in het gif van Satan.
Het is [voor hen] het grootste en zekerste bewijs van iemands verhevenheid
en heilige wil om gezegend te worden met buitengewone gaven.
Heel vaak raakt een mens hierdoor bedwelmd,
en wordt hij van spiritueel volledig menselijk,
om vervolgens nog meer af te dalen,
en satanisch te worden.
"Waarom schenkt God de visioenen dan?
Het zou beter zijn ze niet te schenken!"
"Simon van Jona, hield jouw moeder je altijd in doeken gewikkeld,
en op haar armen, om je te leren lopen?"
"Nee. Ze legde me op de grond, met mijn benen vrij."
"Maar viel je dan?"
"O! Ontelbare keren! Veel vaker, want ik was erg...
Kortom, van jongs af aan verwachtte ik alles zelf te kunnen en goed te doen."
"Maar nu val je niet meer?"
"Natuurlijk niet! Nu weet ik dat het gevaarlijk is om op de rugleuning van een stoel te klimmen, dat het een vergissing is om via de dakgoot van het dak naar de binnenplaats te proberen te komen, en dat het waanzinnig is om vanuit de vijgenboom naar binnen te vliegen, alsof we vogels waren. Maar als kind wist ik dat niet. En waarom ik mezelf niet van het leven heb beroofd, is een compleet raadsel. Maar beetje bij beetje leerde ik mijn benen en mijn hersenen goed te gebruiken."
"Dus, God had gelijk om je benen en hersenen te geven,
en je moeder om het jou op de harde manier te laten leren?"
"Natuurlijk!"
"Dat is wat God met zielen doet.
Hij geeft ze gaven en, zoals een moeder, Hij waarschuwt en onderwijst.
Maar dan moet ieder mens zelf uitzoeken, hoe hij die gaven voor zichzelf kan gebruiken."
"En wat als ze dom zijn?"
"God geeft geen gaven aan domme mensen.
Hij houdt van hen, omdat ze een ongelukkig lot hebben,
maar geeft hen niet wat ze niet zouden begrijpen te hebben."
"Maar wat als Hij ze die gaven gaf, en zij er slecht mee omgingen?"
"Dan zou God hen behandelen zoals ze zijn:
onbekwaam, en daarom onverantwoordelijk.
Hij zou hen niet veroordelen."
"En wat als iemand, die intelligent is wanneer hij de gave ontvangt,
later dwaas of krankzinnig wordt?..."
"Als het door ziekte komt, is hij niet schuldig
aan het niet gebruiken van de gave die hij heeft ontvangen."
"Maar... één van ons, bijvoorbeeld?
Josia/Judas... of... of iemand anders... toch?"
"O! Wel! Het zou beter voor hem zijn geweest als hij niet geboren was!
Maar zo... worden de goeden van de slechten gescheiden...
Een pijnlijke ingreep, maar rechtvaardig."'
Reacties
Een reactie posten