geruchten van samenzwering tegen Herodes - Chusas nerveus - Johanna bezorgd om pas bekeerden
400.4
M. Valtorta:
'Johanna glijdt het gras op,
en, half op haar hielen zittend, lager dan Jezus,
die hoger op Zijn zetel zit, sober en stijf in Zijn houding, afstandelijk als man,
afstandelijker dan wanneer ze gescheiden zouden zijn door meters en meters en obstakels en obstakels,
maar dichtbij als God en Vriend door de vriendelijkheid van Zijn blik en Zijn glimlach.
En ze kijkt naar Hem, Johanna kijkt naar Hem, in de zachte schemering van de meiavond.
Eindelijk spreekt ze:
"Mijn Heer... voordat ik spreek... moet ik Jou vragen stellen... Je gedachten leren kennen...
begrijpen of ik mij altijd heb vergist in het begrijpen van Jouw woorden...
ik ben een vrouw, een domme vrouw... misschien heb ik gedroomd...
en weet ik pas nu de dingen echt... de dingen zoals Jij ze hebt gezegd,
zoals Jij ze hebt voorbereid, zoals Jij ze voor Jouw Koninkrijk wenst...
Misschien heeft Chusas gelijk... en heb ik ongelijk..."
"Heeft Chusas jou verwijten gemaakt?"
"Ja en nee, Heer.
Hij zei me alleen, met de macht van een echtgenoot,
dat als het is zoals de recente gebeurtenissen hem doen geloven,
ik Jou moet verlaten, omdat hij, een hoogwaardigheidsbekleder van Herodes,
niet kan toestaan dat zijn vrouw tegen Herodes samenzweert."
"En wanneer ben jij ooit een samenzweerster geweest?
Wie denkt er nu aan Herodes kwaad te doen?
Zijn armzalige troon, zo smerig, is minderwaardig
aan deze zetel tussen de rozenstruiken.
Hier zet Ik me neer, daar zou ik niet willen zitten.
Chusas, wees gerust! Noch Herodes' troon,
noch die van Caesar wekt Mijn verlangen op.
Dat zijn Mijn tronen niet, noch Mijn koninkrijken."
"O ja, Heer?! Gezegend ben Jij!
Wat een vrede schenk Je mij! Ik lijd hier al dagen onder!
Mijn Meester, heilig en goddelijk, mijn lieve Meester, mijn Meester van alle tijden,
zoals ik Jou begreep, Jou zag, Jou liefhad, zoals ik geloofde dat Je was,
zo hoog, zo hoog boven de aarde, zo... zo goddelijk,
o mijn Heer en hemelse Koning!"
En Johanna pakt de hand van Jezus
en kust respectvol de rug ervan, knielend,
alsof ze Hem aanbidt.
-
"Maar wat is er dan gebeurd?
Wat, waarvan Ik geen weet heb, is zo in staat jou te verontrusten,
en de helderheid van Mijn morele en geestelijke gestalte in jou te vertroebelen?
Spreek!"
"Wat?...
Meester, de dampen van dwaling, trots, hebzucht, koppigheid zijn opgestegen
als uit stinkende kraters en hebben Jou in de gedachten van sommigen vertroebeld...
en hebben geprobeerd hetzelfde in mij te doen.
Maar ik ben Jou Johanna, Jouw genade, o God.
En ik zou niet verloren zijn gegaan.
Tenminste, dat hoop ik, wetend hoe goed God is.
Maar wie pas een embryo van een ziel is, die worstelt zich te vormen,
kan gemakkelijk sterven van teleurstelling.
En wie slechts iemand is die vanuit een modderige zee,
geplaagd door woeste stromingen, probeert de kust te bereiken,
de haven, om zichzelf te zuiveren, om andere plaatsen van vrede en gerechtigheid te leren kennen,
kan makkelijk overweldigd worden door vermoeidheid, als hij het geloof verliest in deze kust,
in deze plaatsen... en zich door de stromingen, door de modder, terug laat slepen.
En ik treurde, kwelde mezelf, over deze ondergang van zielen, voor wie ik Jouw licht afsmeek.
De zielen die wij vormen voor het eeuwige Licht zijn ons nog dierbaarder
dan de lichamen die wij aan het aardse licht geven.
Nu begrijp ik wat het betekent om moeders van vlees en moeders van zielen te zijn.
We huilen om ons kleine schepsel dat sterft. Maar dat is slechts ónze pijn.
Om een ziel die we in Jouw licht probeerden op te wekken en die sterft,
lijden we niet alleen om onszelf. Maar mee met Jou, met God...
want in onze pijn om de geestelijke dood van een ziel,
schuilt ook Jouw pijn, Gods oneindige pijn...
Ik weet niet of ik het goed uitleg..."
"O! Heel goed."'
Reacties
Een reactie posten