Aurea wordt nu toevertrouwd aan Noëmi en Mirta
439.4
M. Valtorta:
'Simon en Thomas komen terug
met Aurea, die naar Maria toe rent.
Jezus laat haar bij Zijn Moeder achter en gaat met de apostelen het huis binnen.
"Je hebt veel gebeden, dochter, en de goede Heer heeft je verhoord..." begint Maria.
Maar het meisje onderbreekt haar met een vreugdekreet: "Ik blijf bij jou!"
en slaat haar armen om haar nek en kust haar.
Maria beantwoordt de kus
en zegt, terwijl ze haar nog steeds in haar armen houdt:
"Als iemand jou een grote gunst bewijst, moet je die ook terugbetalen, nietwaar?"
"O jazeker! En ik zal jou met zoveel liefde terugbetalen!"
"Zeker, dochter. Maar boven mij staat God.
Hij is het die je deze grote gunst heeft verleend,
deze onmetelijke genade om je te verwelkomen onder de leden van Zijn volk,
om je tot discipel van de Meester en Verlosser te maken.
Ik ben slechts het instrument van genade geweest,
maar Hij, de Allerhoogste, heeft jou die Genade geschonken.
Wat zul jij de Allerhoogste geven, om Hem te laten weten dat je Hem dankt?"
"Maar... dat weet ik niet... Zeg het me maar, moeder..."
"Liefde, dat is zeker. Maar ware liefde moet gepaard gaan met opoffering,
want als iets wat kost, heeft het meer waarde, nietwaar?"
"Zeker, moeder."
"Welnu, dan zou ik zeggen,
dat je met dezelfde vreugde waarmee je riep: 'Ik blijf bij jou!!'...
ook moet roepen: 'Jazeker, Heer!' wanneer ik, Zijn arme dienstmaagd,
jou de wil van de Heer voor jou vertel."
"Vertel het me, moeder!" zegt Aurea,
haar gezicht ernstig wordend.
"Gods Wil vertrouwt jou toe aan twee goede moeders, Noëmi en Mirta..."
Grote tranen glinsteren in de heldere ogen van het meisje,
en rollen over haar roze gezichtje.
"Ze zijn goed. Ze zijn Jezus en mij dierbaar.
Jezus redde de zoon van de een, ik gaf de andere zoon borstvoeding.
En je hebt gezien dat ze goed zijn..."
"Ja... maar ik had gehoopt bij jou te zijn..."
"Dochter, je kunt niet alles hebben!"'
Reacties
Een reactie posten