Jezus draagt huilende Alfeüs mee in Zijn armen
454.8
Maria Valtorta:
'"Kom, Alfeüs. Niet huilen.
Kom naar Mij. Ik zal je in Mijn armen dragen!"
De pijn van het kind is groot.
Al zijn pijn als wees en van te zijn verstoten door zijn moeder,
verzacht in die dagen van vrede, komt weer boven, kookt, stroomt over.
Meer nog dan de schaafwonden die hij opliep aan zijn voorhoofd en handen,
door op de stenen grond te vallen, schaafwonden die de vrouwen schoonmaken
en kussen om hem te troosten, huilt hij zijn pijn uit als onbeminde zoon.
Een lange, hartverscheurende kreet, met aanroepingen tot zijn overleden vader,
tot zijn moeder... O, arm kind!
(Ik huil met hem, ik, degene die altijd onbemind is geweest door de mensen,
en net als hij zoek ik mijn toevlucht in de armen van God, vandaag,
op de herdenkingsdag van mijn vaders begrafenis; vandaag,
een dag waarop een onrechtvaardige beslissing
mij de frequente communie ontneemt...)
Jezus neemt hem, kust hem, wiegt hem en troost hem
en loopt voor iedereen uit, met het onschuldige kind in Zijn armen,
in het maanlicht...
En terwijl de tranen langzaam opdrogen en schaars worden,
klinkt Jezus' stem in de stilte van de nacht:
"Ik ben hier, Alfeüs. Ik ben er voor iedereen.
Ik ben jouw vader en jouw moeder. Huil niet.
Je vader is hier bij Me, en hij kust je met Mij.
De engelen zorgen voor je, alsof ze moeders zijn.
Alle liefde, alle liefde...
als je goed en onschuldig bent, is met je..."'
Reacties
Een reactie posten