Jezus laat Maria's halen om samen te zijn in Tiberias
CDXLIV
LOFZANG OP MARGZIAM
LES OVER HET ENIGE GEBOD VAN DE LIEFDE
OVER DE REDDING VAN DEUGDZAME HEIDENEN
EN OVER DE VERDIENSTEN VAN DE MENS-GOD
444.1
Maria Valtorta:
'"Waar heb je de boten achtergelaten, Simon, toen je in Nazareth aankwam?"
vraagt Jezus terwijl Hij naar het noordoosten loopt,
de vlakte van Esdraelon de rug toekeert
en richting de berg Tabor gaat.
"Ik heb ze teruggestuurd om te vissen, Meester.
Maar ik heb gezegd dat ze om de drie dagen in Tarichea moesten zijn.
Ik wist niet hoe lang ik bij Jou zou blijven."
"Heel goed.
Wie van jullie wil Mijn Moeder en Maria van Alfeüs gaan vragen
om zich bij ons in Tiberias te voegen? In het huis van Jozef treffen we elkaar."
"Meester... wij willen allemaal. Maar zeg Jij wie er moet gaan, dan is het beter."
"Dan Matteüs, Filippus, Andreas en Jakobus van Zebedeüs. De anderen gaan met Mij mee naar Tarichea. Jullie moeten de vrouwen de reden van de vertraging [overlijden van Margziams grootvader] uitleggen. En hen vragen het huis te sluiten en mee te komen. We zullen een hele maan bij elkaar zijn. Ga. Want hier heb je een kruispunt. En vrede zij met jullie!"
Hij kust de vier als ze uit elkaar gaan
en loopt verder met de anderen.
Maar na een paar stappen stopt Hij,
en ziet Marjam die met gebogen hoofd achter Hem loopt.
Wanneer de jongeman ter hoogte van Hem komt, strijkt Jezus onder diens kin
en dwingt hem zijn gezicht op te heffen.
Twee strepen tranen lopen over zijn donkere gezicht.
"Wil jij ook graag naar Nazareth gaan?"
"Ja, Meester... Maar doe wat Jij wilt."
"Ik wil dat je getroost wordt, Mijn zoon...
Ga... Ren achter hen aan. Moeder zal je troosten!"
Hij kust hem en laat hem gaan,
en Margzam rent weg en haalt de vier al snel in.'
(Hemelvaart)
Reacties
Een reactie posten