Valeria staat Aurea af - Tiberias immers te verdorven
438.9
M. Valtorta:
'Maria stapt naar voren en zegt: "Domina! Een woord!"
Valeria kijkt naar de twee vrouwen, gehuld in eenvoudige Joodse gewaden die over hun gezicht zijn getrokken, en denkt dat het bedelaars zijn. Ze beveelt: "Barbara, geef hen aalmoezen!"
"Nee, Domina. Ik vraag geen geld. Ik ben de Moeder van Jezus van Nazareth, en dit is mijn familielid. Ik kom in Zijn naam om u wat te vragen."
"Domina! Wordt uw Zoon vervolgd... misschien...?"
"Niet meer dan gewoonlijk. Maar Hij zou graag..."
"Kom binnen, Domina. Het is niet waardig dat u als een bedelaar op straat blijft staan."
"Nee. Het is makkelijk gezegd, als u discreet naar me luistert..."
"Weg, allemaal!" beveelt Valeria de slavin, of vrijgelatene, en haar deurwachters.
"We zijn alleen. Wat wil de Meester? Ik ben niet gekomen, om Hem geen kwaad te doen in Zijn stad. Is Hij niet gekomen, misschien, om mij geen kwaad te doen, vlakbij mijn man?"
"Nee. Op mijn advies. Mijn Zoon wordt gehaat, mevrouw."
"Ik weet het."
"En Hij vindt alleen troost in Zijn Missie."
"Ik weet het."
"Hij vraagt niet om eer of militaire dienst, Hij streeft niet naar koninkrijken of rijkdom. Maar Hij eist Zijn recht op over de geesten."
"Ik weet het."
"Mevrouw... Hij zou dat meisje aan u terug moeten geven... Maar, word niet boos als ik het zeg... maar hier zou ze Jezus niet tot haar geest kunnen maken. U bent beter dan de anderen... Maar om u heen is... de modder van de wereld, al te levendig."
"Dat is waar. En dan...?"
"U bent een moeder... Mijn Zoon heeft vaderlijke gevoelens voor elke geest. Zou u toestaan dat uw dochtertje opgroeit tussen mensen die haar te gronde kunnen richten?..."
"Nee. En ik heb het begrepen... Welnu... Zeg tegen uw Zoon deze woorden: 'Ter nagedachtenis aan Faustina [haar dochtertje] die gered werd in het vlees, laat Valeria aan U Aurea na, zodat U haar geest kunt redden'... Het is waar! Wij zijn te verdorven... om een heilige aan toe te vertrouwen... Domina, bid voor mij!"
En ze trekt zich snel terug, voor Maria haar kan bedanken.
Ze trekt zich, zou ik zeggen, huilend terug...
Maria van Alfeüs is verbijsterd.
"Laten we gaan, Maria...
We vertrekken vannacht nog, en zijn morgenavond al in Nazareth..."
"Laten we gaan... Ze gaf haar weg als... als een ding..."
"Voor hen ís zij een ding. Voor ons is ze een ziel.
Kom. Kijk... De hemel wordt daar beneden al wit.
Je zou kunnen zeggen dat er deze maand geen nacht is..."'
Reacties
Een reactie posten