Maria demonstratie van wat God voor mens verlangde: na aards, het hemels Paradijs
651.13-14
Maria zegt:
'Mijn nederigheid stond mij niet toe te denken
dat er zoveel glorie voor mij in de hemel was weggelegd.
In mijn denken was de quasi zekerheid
dat mijn menselijk lichaam,
geheiligd door het dragen van God,
geen verrotting zou kennen,
aangezien God Leven is,
en wanneer Hij een schepsel met Zichzelf verzadigt en vult,
is deze handeling van Hem als een conserverende geur
tegen de verrotting van de dood.
Niet alleen was ik onbevlekt gebleven,
niet alleen was ik met God verenigd in een kuise en vruchtbare omhelzing,
maar had mezelf, ook in mijn diepste binnenste, verzadigd met de uitvloeisels
van de Godheid, verborgen in mijn baarmoeder,
en erop gericht zich in sterfelijk vlees te hullen.
Maar dat de goedheid van de Eeuwige
voor zijn dienstmaagd de vreugde had gereserveerd
om de aanraking te voelen van de hand van haar Zoon op haar ledematen,
Zijn omhelzing, Zijn kus, en om Zijn stem weer met mijn eigen oren te horen,
om Zijn gezicht met mijn eigen ogen te zien— dit kon ik me niet voorstellen
dat het mij geschonken zou worden,
noch verlangde ik ernaar.
Het zou genoeg voor me zijn geweest
als deze zaligheden aan mijn geest waren geschonken,
en mijn hele wezen vervuld zou zijn geweest van zalige gelukzaligheid.
Maar,
als een bewijs/demonstratie
van Zijn allereerste scheppingsgedachte aangaande de mens
—door Hem, de Schepper, bestemd om te leven, overgaand, zonder sterven,
van het aardse Paradijs naar het hemelse, in het eeuwige Koninkrijk—
wilde God mij, Onbevlekte, in de Hemel, in ziel én lichaam.
Zo snel als mijn aardse leven voorbij was.
Ik ben de onmiskenbare demonstratie
van wat God voor de mens had bedoeld en verlangd:
een leven onschuldig en onwetend van zonde,
een vredige overgang van dit leven naar het eeuwige leven,
waardoor de mens, zoals iemand die de drempel van een huis overschrijdt om een paleis binnen te gaan,
met zijn hele wezen, bestaande uit een stoffelijk lichaam en een geestelijke ziel,
van de aarde naar het Paradijs zou overgaan,
de volmaaktheid vergrotend van zijn wezen/zijn ik,
hem door God gegeven,
met de volkomen volmaaktheid,
zowel van vlees als van geest,
die, in de goddelijke gedachte, bestemd was voor ieder schepsel
dat trouw zou blijven aan God en aan de genade.
Een volmaaktheid die bereikt zou worden in het volle licht
dat in de hemel is, en hen vervult, afkomstig van God,
de eeuwige zon die de hemel verlicht.'
Reacties
Een reactie posten