vorstelijke bruiloft 6
13.6
Maria Valtorta:
'Ze gaan door binnenplaatsen en portieken, tussen de toekijkende menigte,
naar een plek die niet de Tempel is, maar haast een ruimte lijkt gewijd aan de eredienst,
want er zijn lampen en perkamentrollen, zoals in synagogen.
De bruid en bruidegom
gaan tegenover een hoge lessenaar staan,
bijna een bureau, en wachten.
De anderen (familieleden) staan netjes achter hen.
Andere priesters en toeschouwers verzamelen zich achterin.
De Hogepriester komt plechtig binnen.
Geroezemoes onder de nieuwsgierigen.
"Is zij degene die trouwt?"
"Ja, omdat ze tot de koninklijke en priesterlijke kaste behoort.
Bloem van David en Aäron, de bruid, en maagd van de tempel.
De bruidegom komt uit de stam van David."
De pontifex legt de rechterhand van de bruid
in die van de bruidegom
en zegent hen plechtig:
"De God van Abraham, Isaak en Jakob zij met jullie.
Moge hij jullie verenigen en moge Zijn Zegen in jullie worden vervuld,
waardoor je Zijn Vrede en talrijke nakomelingen krijgt
met een lang leven en een gezegende dood
En dan trekt hij zich terug
net zo plechtig als hij binnenkwam.
De belofte is uitgewisseld.
Maria is getrouwd met Jozef!
Iedereen komt naar buiten
en gaat, nog steeds in goede orde, een kamer binnen,
waar het huwelijkscontract wordt opgemaakt.
Waarin staat dat Maria,
dochter-erfgename van Joachim van David en Anna van Aäron,
haar huis als bruidsschat overdraagt aan de bruidegom, en de bijhorende bezittingen,
en haar persoonlijke uitzet en eventuele andere bezittingen
die zij van haar vader heeft geërfd.
Alles is klaar.'
Reacties
Een reactie posten