de boom, en de kluit 1
17.14
Maria zegt:
'Ik omarmde de Wil van de Heer
voor mij, voor mijn man,
voor mijn Kind.
Ik zei ‘Já!’ voor alle drie,
zeker dat God niet zou liegen over Zijn Belofte
om mij te helpen in mijn pijn.
De pijn van een bruid
die zichzelf schuldig ziet bevonden.
De pijn van een moeder die zichzelf ziet baren
om haar Zoon aan het Lijden te geven.
‘Já!’ zei ik.
Já.
En dat volstaat.
Dat ‘Já!’ annuleerde Eva’s ‘Nee’ tegen Gods Gebod.
‘Já! Heer, zoals Gij wilt.
Ik zal kennen wat Gij wilt.
Ik zal leven zoals Gij wilt.
Ik zal blij/gelukkig zijn als Gij het wilt.
Ik zal lijden door dat wat Gij wilt.
Já, altijd Já, mijn Heer...
vanaf het moment dat Uw Straal mij tot Moeder maakte
tot het moment waarop Ge mij bij U zult roepen.
Ja, altijd Já!’
Alle stemmen van het vlees,
alle hartstochten van de moraliteit
onder het gewicht van dit eeuwige Já! van mij.
En daarboven, als op een diamanten voetstuk, mijn geest
die geen vleugels heeft om naar U toe te vliegen,
maar wel de heer is van heel dit getemde zelf
en Uw dienaar.
Dienaar in de vreugde, dienaar in de pijn.
Maar glimlach, O God.
En wees gelukkig.
De schuld is overwonnen.
Ze wordt opgeheven, ze wordt vernietigd.
Ze ligt onder mijn hiel,
ze wordt gewassen in mijn tranen,
vernietigd door mijn gehoorzaamheid.
Uit mijn baarmoeder
zal de nieuwe Boom geboren worden
die de Vrucht zal dragen
die al het Kwaad zal kennen,
omdat Hij het in zichzelf heeft geleden,
en al het Goede zal geven.
Hierheen zúllen mensen kunnen komen,
en ik zal blij zijn als ze het grijpen/plukken
zelfs zonder te denken dat het uit mij geboren is.
Zolang de mens gered is en God geliefd,
make men van Zijn dienstmaagd
dat wat men maakt van de kluit
waarop een boom ontspringt:
een trede/sport
om omhoog te gaan.'
Reacties
Een reactie posten