transfiguratie maagd-moeder
29.3
Maria Valtorta:
'En het licht groeit alsmaar meer. Het is ondraaglijk voor het oog.
Daarin verdwijnt, als geabsorbeerd door een sluier van gloed,
de Maagd... en komt de Moeder te voorschijn.
Já.
Als het licht in mijn ogen weer te verduren wordt,
zie ik Maria met de pasgeboren Zoon in haar armen.
Een klein kind, roos-kleurig en mollig,
dat tast en klauwt met kleine handjes, zo groot als een rozenknop,
en met kleine voetjes, die in de holte van een rozenhart zouden passen;
dat met trillende stem jammert, net als een pasgeboren lammetje,
zijn mondje openend dat op een wilde aardbei lijkt
en het trillende tongetje tonend tegen het roze gehemelte;
dat zijn hoofdje beweegt, zo blond dat het bijna kaal lijkt,
een rond hoofdje, dat de Moeder ondersteunt in de ronding van haar hand...
...terwijl ze naar haar Kindje kijkt,
en hij vindt het geweldig, samen huilend en lachend,
en zich buigt om hem te kussen, niet op het onschuldige hoofd,
maar daar waar, middenin de borst, beneden het kleine hartje is
dat klopt, klopt voor ons...
waar op een dag de Wond zal zijn.
Zijn moeder geneest die Wond vooraf voor Hem.
Met haar onbevlekte kus.
De os, gewekt door het licht,
staat op, met luid gekletter van hoeven en geloei,
en de ezel draait zijn kop en balkt.
Het is het licht dat hen doet schrikken,
maar ik denk graag dat ze hun Schepper wilden groeten,
namens henzelf en namens alle dieren.'
Reacties
Een reactie posten