het oog en de liefde
XLIX
ONTMOETING MET PETRUS EN ANDREAS NA TOESPRAAK SYNAGOGE
-JOHANNES VAN ZEBEDEÜS OOK GROOT IN NEDERIGHEID-
49.1
Maria Valtorta:
'Jezus komt naar voren langs een kleine weg,
een pad tussen twee velden.
Hij is alleen.
Johannes komt op Hem af
via een heel ander pad tussen de velden
en bereikt Hem uiteindelijk, via een gat in de heg.
Johannes, zowel in het visioen van gisteren als vandaag,
is vrij jong: een rooskleurig en baardloos gezicht
van iemand die net man is geworden,
en blond is bovendien.
Dus geen teken van een snor of baard,
maar alleen de roze kleur van zijn gladde wangen en rode lippen,
en het lachende licht van zijn mooie glimlach en zuivere blik,
niet zozeer vanwege de donker-turquoise kleur (van de ogen),
als wel door de helderheid van de maagdelijke ziel
die er doorheen schijnt.
Zijn blond-bruine haar, lang en zacht, zwaait terwijl hij loopt,
bijna net zo snel als rennen.
Hij roept, als hij op het punt staat de heg te passeren: "Meester!"
Jezus stopt en draait zich glimlachend om.
"Meester, ik heb zo naar U verlangd!
Ze vertelden me, in het huis waar U verblijft, dat U naar het platteland was getrokken...
Maar niet waarheen. En ik was bang U niet te zien."
Johannes spreekt enigszins gebogen, uit respect.
Toch is hij vol vrijmoedige genegenheid, in zijn houding en in zijn blik
die, staande met het hoofd licht gebogen op z'n schouder, zich naar Jezus opricht.
"Ik zag dat je Mij zocht, en Ik kwam naar je toe."
"Hebt U mij gezien? Waar was U, Meester?"
"Ginds was Ik," en Jezus wijst naar een groepje bomen in de verte
die ik, vanwege de kleur van het blad, olijfbomen zou noemen.
"Daar was Ik. Ik bad, en Ik dacht na over wat Ik vanavond in de synagoge ga zeggen.
Maar Ik ben meteen vertrokken, zodra Ik je zag."
"Maar hoe hebt U mij kunnen zien, als ik die plek nauwelijks zie,
zo verborgen als die achter deze heg ligt?"
"Toch zie je ze!
Ik kwam je ontmoeten omdat Ik je zag.
Wat het oog niet doet, doet de liefde."
"Ja, doet de liefde."'
Reacties
Een reactie posten