Maria bezorgd om rozen en lelies
89.6
Maria Valtorta:
'De kannen zijn klaar.
Jezus draagt er twee balancerend op Zijn schouders,
met behulp van Zijn riem, en de andere draagt Hij met de hand.
Hij loopt, slaat af, komt bij het huis, duwt tegen de deur,
komt de kleine kamer binnen die donker lijkt vergeleken met de grote zon buiten,
trekt langzaam het gordijn omhoog dat de tuindeur beschermt, neemt alles in zich op.
Maria staat bij een rozenstruik, haar rug naar het huis gekeerd.
Ze heeft medelijden met de dorstige plant.
Jezus zet de kruik op de grond,
en het koper klinkt als het op steen slaat.
"Al terug, Maria?" zegt Zijn Moeder, zonder zich om te draaien.
"Kom, kom. Kijk eens naar deze rozenstruik! En deze arme lelies.
Ze zullen allemaal sterven als we ze niet helpen!
Neem ook wat rietjes mee om deze vallende stengel te ondersteunen!"
"Ik breng jou alles, Mama!'
Maria draait zich snel om.
Ze blijft even staan met grote ogen,
dan rent ze, met een kreet, met uitgestrekte armen naar haar Zoon,
die de Zijne al heeft geopend en haar opwacht met een liefdevolle glimlach.
"Oh! Mijn Zoon!"
"Mama! Lieve Mama!"
De omhelzing is lang, en zacht,
en Maria is zo blij dat ze niet ziet, niet voelt hoe heet Jezus is.
Maar dan herinnert ze zich:
"Waarom, Zoon, op dit tijdstip?
Je bent paars en zweet als een spons!
Kom, kom binnen! Moge je Moeder je drogen en verfrissen.
Dadelijk breng ik Jou een nieuw kleed en schone sandalen.
Maar Zoon! Zoon! Waarom in deze zon?
De planten sterven door de hitte
en Jij, mijn Bloem, loopt rond!"
"Om als eerste naar Jou toe te komen, Mama!"
"Oh! Liefje! Heb Je dorst? Natuurlijk heb Je dorst.
Dan zal ik Je klaarmaken..."
"Ja, naar je kus, Mam. Naar je liefkozingen.
Laat Mij zo blijven, met Mijn hoofd op je schouder,
zoals toen Ik klein was... Oh! Mama! Wat mis Ik je!"
"Maar zeg me dat ik moet komen, Zoon, en ik zal komen.
Wat heb je gemist door mijn afwezigheid? Eten dat je lekker vindt?
Verse kleding? Een goed opgemaakt bed?
Oh! Vertel me, mijn Vreugde, wat je gemist hebt.
Je dienares, O mijn Heer, zal het proberen te verhelpen."
"Niets dat jij niet was..."
Jezus, die terugkeerde aan de hand van Zijn Moeder
en die is gaan zitten op de kist bij de muur, met Maria voor zich
en Zijn armen om haar heen, met Zijn hoofd tegen haar hart,
en haar af en toe kussend, staart haar nu aan: "Laat me naar jou kijken!
Moge de aanblik van jou Mij vervullen, Mijn heilige Mama!"
"Eerst je kleed. Het is niet goed om zo nat te blijven. Kom!"
Jezus gehoorzaamt.
Reacties
Een reactie posten