naar Nazareth via Doco
LXXXVII
NAAR NAZARETH OVER DOCO
ISAAK BLIJFT IN JUDEA
87.1
Maria Valtorta:
'"En ik zeg Je, Meester, eenvoudige mensen zijn beter.
Degenen die ik aansprak, hadden spot of onverschilligheid.
Oh! de kleintjes van Juttah!"
Isaak spreekt tot Jezus.
Ze zitten allemaal in een groepje, op het gras aan de rand van de rivier.
Isaak lijkt een verslag te geven van zijn inspanningen.
Judas komt tussenbeide
en, in een enkele keer, noemt hij de herder bij zijn naam:
"Isaak, ik denk net als jij.
We verspillen tijd en vertrouwen door contact met hen.
Ik geef het op."
"Ik niet.
Maar ik heb er last van.
Ik geef het alleen op als Meester het zegt.
Ik ben eraan gewend jarenlang te lijden door mijn trouw aan de waarheid.
Ik kon niet liegen om mezelf in de gunst te brengen bij de machtigen.
En weet je hoe vaak ze mij kwamen uitlachen, in mijn ziekenkamer,
mij hulp belovend – oh! zeker met valse beloftes!
als ik maar had gezegd dat ik had gelogen
en dat Jij, Jezus, niet de pasgeboren Verlosser was?!
Maar ik kon niet liegen.
Liegen zou zijn geweest het ontkennen van mijn vreugde,
zou zijn geweest het doden van mijn enige hoop,
zou zijn geweest Jou afwijzen, mijn Heer!"
In de duisternis van mijn ellende,
in de ellende van mijn zwakheid,
had ik altijd een hemel bezaaid met sterren:
het gezicht van mijn moeder, de enige vreugde in mijn leven als wees,
het gezicht van een bruid die nooit de mijne was
en voor wie ik zelfs na de dood mijn liefde bewaarde.
Dit waren de twee kleine sterren.
En dan twee grotere sterren, gelijk aan de zuiverste manen:
Jozef en Maria, glimlachend naar een pasgeborene en naar ons arme herders,
en schijnend, in het midden van de hemel van mijn hart, jouw gezicht,
onschuldig, lief, heilig, heilig, heilig.
Ik kon deze hemel van mij niet afwijzen!
Ik wilde het licht ervan niet wegnemen, dat het allerzuiverster is.
Ik had liever het leven afgewezen, tussen de kwellingen, dan jou af te wijzen,
mijn gezegende nagedachtenis, mijn pasgeboren Jezus!"
Jezus legt zijn hand op Isaaks schouder en glimlacht.
Judas spreekt opnieuw: "En dan blijf jij doorgaan?"
"Ik ga door.
Vandaag, morgen en morgen alweer. Iemand zal komen."
"Hoe lang zul je bezig blijven?"
"Ik weet het niet. Maar geloof me. Kijk gewoon niet vooruit of achteruit.
Doe het dag na dag. En als het 's avonds met winst is gedaan, zeg dan: "Dankje, mijn God".
Als je er geen voordeel uit haalt, zeg dan: "Ik verwacht morgen Jouw hulp."
"Jij bent wijs."
"Ik weet niet eens wat dat betekent.
Maar ik doe in mijn missie, wat ik deed tijdens mijn ziekte.
Bijna dertig jaar ziekte... is geen dag!"
"Eh! Ik geloof het! Ik was nog niet eens geboren en jij was al ziek."
"Ik was ziek. Maar ik heb die jaren nooit geteld, ik heb nooit gezegd:
'Kijk, nisan keert terug en ik bloei niet meer met rozen.
Zie, tisjri keert terug en ik kwijn hier nog steeds weg.'
Ik ging door, en sprak met mezelf, en met de goede mensen, over Hem.
Ik merkte dat de jaren voorbijgingen, omdat de kleintjes van eens, mij hun bruidstaarten kwamen brengen, en die van de geboortes van hun kleintjes.
Nu, als ik achteruit kijk, nu ik van een oud weer een jonge man ben geworden, wat zie ik dan van het verleden? Niets. Het is voorbij."
"Niets híer.
Maar in de hemel is het 'alles' voor jou, Isaac,
en dat alles staat je te wachten,"
zegt Jezus.
Reacties
Een reactie posten