Gamaliël valt Jezus bij, Felix stapt boos op
114.7
Maria Valtorta:
'Gamaliël richt zich op en wendt zich tot Jezus:
"Hier is de Meester die de meest geleerden overtreft.
Laat Hem erover spreken."
"U wenst het. Ik gehoorzaam.
Ik zeg: Een mens is een mens.
Een missie overstijgt een mens.
Maar een mens die een missie heeft gekregen,
is in staat die als een supermens/bovenmenselijk uit te voeren,
wanneer hij, dankzij een heilig leven, God als vriend heeft.
Het is Hij die gezegd heeft: "U bent priester
overeenkomstig de order door Mij gegeven."
Wat staat er op het rationale? - "Doctrine en Waarheid."
Dat is wat zij die de Pontifexen zijn, zouden moeten bezitten.
De Doctrine wordt bereikt door voortdurende meditatie,
gericht op het leren kennen van de Meest Wijze.
De Waarheid door absolute trouw aan het Goede.
Wie flirt met het Kwaad, vervalt in Leugens
en verliest de Waarheid."
"Goed zo! U antwoordde als een groot rabbijn!
Ik, Gamaliël, vertel het U: "U overtreft mij!"
"Laat hem dan eens uitleggen waarom Aäron geen
en Mozes wel wonderen deed?" roept Felix uit.
Jezus antwoordt prompt:
"Omdat Mozes zichzelf moest opleggen aan de donkere en zware,
en zelfs weerspannige, massa van Israëlieten, en invloed op hen moest krijgen,
genoeg om hen te onderwerpen aan de Wil van God.
De mens is een eeuwige wilde, en een eeuwige kind.
Hij wordt getroffen/aangetrokken door dingen die buiten de regels vallen.
Het mirakel is iets dergelijks.
Het is een zwaaiend licht voor verduisterde pupillen,
Het is een geluid dat weerklinkt bij dichtgestopte oren.
Het maakt wakker. Roept terug.
Doet hen zeggen: 'Hier is God!'"
"Dat zegt U in Uw eigen belang," antwoordt Felix.
"In Mijn eigen belang? En wat voeg Ik toe door een wonder te verrichten?
Kan Ik verhevener lijken, als Ik een grassprietje onder Mijn voet leg?
Zo groot is het wonder vergeleken met de heiligheid.
Er zijn heiligen die nooit wonderen hebben verricht.
Er zijn magiërs en dodenbezweerders die ze verrichten met duistere krachten,
wat wil zeggen dat ze bovenmenselijke dingen doen, maar die niet heilig zijn,
en de hunne zijn demonisch.
Ik zal Ik zijn, ook als Ik geen wonderen meer verricht."
"Erg goed! U bent een grote, Jezus!"
Gamaliël valt Hem bij.
"En wie is Hij dan wel, volgens jou, die 'grote'?"
dringt Felix bij Gamaliël aan.
"De grootste profeet die ik ken,
zowel in Zijn werken als in Zijn woorden,"
antwoordt hij.
"Hij is de Messias, zeg Ik je, Gamaliël!
Geloof Hem, jij wijze en rechtvaardige,"
zegt Jozef.
"Wablief? Ook jij, lieder van de Joden, jij, de Oudste, onze glorie,
vervalt in deze verafgoding van een man? Maar wie bewijst jou dat hij de Christus is?
Ik zal hem niet geloven, zelfs niet als ik hem wonderen zie verrichten.
Maar waarom verricht hij er dan geen voor onze neus?
Zeg hem dat, jij die hem prijst! Zeg hem dat, jij die hem verdedigt!"
zegt Felix tegen Gamaliël en Jozef.
"Ik heb Hem niet uitgenodigd om mijn vrienden te vermaken.
En vergeet niet dat Hij mijn gast is!" antwoordt Jozef serieus.
Felix staat op en vertrekt,
driftig en onbeschoft.'
Reacties
Een reactie posten