moordenaar Felix bekeert zich en wordt discipel - een wáre boven-natuurlijke prestatie
188.7
Maria Valtorta:
''Ze komen uit de ruïnes
en beginnen af te dalen langs het pad dat ze eerder namen.
De eenogige man is er nog steeds.
"Bent u er nog?" vraagt Jezus,
en doet alsof Hij het rode gezicht niet kan zien, van al dat gehuil.
"Ja, nog hier. Als U mij toestaat, volg ik U. Ik heb U iets te vertellen..."
"Kom dan met Me mee. Wat wilt u Me vertellen?"
"Jezus...
"Jezus... ik merk dat
om de kracht te hebben om te spreken,
en om de heilige magie te bewerken om mezelf te veranderen,
mijn dode ziel op te roepen, zoals de tovenares Samuel voor Saul opriep...
dat ik dan Uw Naam moet uitspreken, even zoet als Uw blik, even heilig als Uw stem.
U hebt mij een nieuw leven gegeven, en het is vormloos, onbekwaam,
zoals dat van een pasgeborene na een lastige bevalling.
Het worstelt nog in de grip van een kwaadaardig omhulsel.
Help me te ontsnappen aan mijn dood."
"Zeker, vriend."
"Ik... ik heb geleerd, dat ik nog steeds wat menselijkheid in mijn hart heb.
Ik ben niet helemáál beest, en ik kan nog steeds beminnen en bemind worden,
vergeven en vergeven worden. Uw liefde, Uw liefde die vergeving is, leert me dit.
Is het niet waar?"
"Jazeker, vriend."
"Neem mij dan mee. Ik heette Felix ['gelukkige']! O Ironie!
Maar geef mij een nieuwe naam. Moge het verleden echt dood zijn.
Ik zal U volgen als een zwerfhond die eindelijk een baasje vindt.
Ik zal Uw slaaf zijn als U wilt. Maar laat me niet alleen..."
"Jazeker, vriend."
"Welke naam geeft U me?"
"Een naam die mij dierbaar is: Johannes.
Want u bent 'de genade die de Heer geeft'..."
"Wilt U mij meenemen?"
"Voorlopig wel, ja.
Daarna volg je Mij als een van de discipelen.
Maar je huis?..."
"Ik heb geen huis meer.
Wat ik heb, laat ik aan de armen na.
Geef mij alleen liefde, en een brood."
"Kom."
En Jezus draait zich om en roept de apostelen.
"Vrienden, en vooral jij, Judas, ontvang mijn dank.
Door jou, door jullie, komt een ziel tot God!
Hier is de nieuwe discipel!
Hij gaat met ons mee tot we hem aan zijn broers en zusters kunnen toevertrouwen.
Wees gelukkigen, dat je een hart hebt gevonden, en zegen God met Mij."
Erg gelukkig zien ze er echt niet uit, de twaalf.
Maar ze zetten een goed gezicht op, uit gehoorzaamheid en hoffelijkheid.
"Als U mij toestaat, ga ik alvast vooruit. U vindt me op de drempel."
"Ga uw gang!"
De man rent weg.
Hij lijkt anders.
"En nu we alleen zijn, beveel Ik jullie - bevéél ik -
om goed voor hem te zijn, en zijn verleden voor iedereen geheim te houden.
Wie spreekt, of wie geen naastenliefde toont aan deze verloste broer,
zal door Mij onmiddellijk worden afgewezen.
Begrijpen jullie dat?
Wil zien hoe goed de Heer is!
We kwamen hier met een menselijk doel.
En Hij staat ons toe te vertrekken na een [echte] boven-natuurlijke prestatie te hebben geleverd.
O! Ik verheug Mij over de Vreugde die nu in de hemel heerst
voor de nieuwe bekeerling!'
Reacties
Een reactie posten