ook melaatsen van Ben Hinnom genezen


-Graven in de vallei van Hinnom-Gehenna (J. Tissot)-

199.5

Maria Valtorta:

'"En laten we nu naar Ben Hinnom gaan," zegt Jezus.

"Meester... Ik zou graag komen. Maar ik voel dat ik niet kan.

Ik ga naar Gethsemane," zegt Lazarus.

"Ga, Lazarus, ga. Vrede zij met je."


Terwijl Lazarus langzaam op weg gaat, zegt de apostel Johannes:

"Meester, ik zal hem vergezellen. Hij heeft het moeilijk en de weg is niet erg goed.

Daarna zal ik naar Jou komen, in Ben Hinnom."

"Ga maar. Laten we gaan."


Ze steken de Kidronvallei over,

lopen langs de zuidkant van de berg Tofeth,

en komen in de vallei bezaaid met graven en vuil, zonder een boom,

zonder schild tegen de zon, die met al zijn vuren op deze zuidkant neervalt met al zijn gloed,

en de stenen van deze nieuwe echelons van de hel verschroeit,

aan de voet waarvan de rook van etterende vuren de hitte nog verergeren.

En in deze graven, als in crematoria, liggen arme lichamen te kwijnen...


Siloan moet er in de winter lelijk uitzien, vochtig als het is, en bijna op het noorden gericht.

Maar dit hier moet verschrikkelijk zijn in de zomer...


Simon de Zeloot roept,

en eerst komen er drie, dan twee, dan nog één en nog één, zo goed als ze kunnen,

tot aan de voorgeschreven grens.


Hier zijn twee vrouwen,

en één houdt een afschuwelijk kind bij de hand

wiens gezicht door melaatsheid is aangetast. Het is al blind...


-idem-

En er is ook een man met een nobel voorkomen,

ondanks zijn ellendige toestand.

Hij spreekt namens allen:


"Gezegend zij de Messias des Heren,

die is afgedaald in onze hel, om daaruit te halen wie op Hem hopen.

Red ons, Heer, want wij vergaan! Red ons, Redder!

Koning uit het geslacht van David, Koning van Israël, ontferm U over uw onderdanen.

O! Wortel uit het geslacht van Isaï, van wie gezegd is dat er in Uw tijd geen kwaad meer zal zijn,

strek Uw hand uit, om deze overblijfselen van Uw volk te verzamelen.

Neem deze dood van ons weg, droog onze tranen, want zo wordt van U gezegd.

Roep ons, Heer, naar Uw heerlijke weiden, naar Uw zoete wateren, want wij hebben dorst.

Leid ons naar de eeuwige heuvels, waar geen schuld en pijn meer is.

Ontferm U, Heer..."


"Wie bent U?"

"Johannes, iemand van de Tempel.

Misschien besmet door een melaatse.

Onlangs pas, U ziet het, is de ziekte bij mij gekomen.

Maar dezen!... Er zijn mensen die al jaren op de dood wachten,

en dit kleine meisje is daar al van voor ze kon lopen.

Ze weet niet dat ze Gods schepping is.

Alles wat ze weet of zich herinnert van Gods wonderen zijn deze graven,

deze genadeloze zon en de sterren van de nacht.

Barmhartigheid voor de schuldigen én de onschuldigen, Heer, onze Redder."


Ze zijn allemaal neergeknield, hun handen uitstrekkend.

Jezus huilt om zoveel ellende en opent dan Zijn armen, roepend:

"Vader, Ik verlang ernaar: gezondheid, leven, zicht in de ogen en heiligheid voor hen."

Hij blijft met open armen staan, intens biddend met heel Zijn geest.

Hij lijkt te louteren en op te stijgen in gebed, een vlam van liefde,

wit en krachtig te midden van het krachtige goud van de zon.


"Moeder, ik zie!" is de eerste kreet.

En die wordt geëvenaard door de kreet van de moeder, die haar genezen kind aan haar hart drukt,

en vervolgens die van de anderen en de apostelen...

Het wonder voltrekt zich.


"Johannes, U als priester, zal Uw metgezellen leiden in de ritus.

Vrede zij met jullie. Wij zullen ook jullie tegen de avond eten brengen."

Hij zegent hen en staat op het punt te vertrekken.


Maar de melaatse Johannes roept uit:

"Ik wil in Uw voetsporen treden. Zeg me wat ik moet doen,

waar ik heen moet gaan om over U te prediken!"


"In dit verlaten en kale land dat zich tot de Heer moet bekeren.

Moge de stad Jeruzalem uw legerplaats zijn.

Vaarwel!"'


24 juni 1945

Reacties

Populaire posts van deze blog

Maria wil graag Elise terugzien, haar maatje in de tempel

Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd

Maria Magdalena, serafijn nu, mag zalven en aanraken