vijf melaatsen van Siloan genezen, anderen wordt tijd gegund


-Healing of ten lepers (J. Tissot)-

199.4

Maria Valtorta:

'"Laten we nu naar deze ongelukkigen gaan!" zegt Jezus,

en Hij keert de stad de rug toe en gaat naar een verlaten plek,

gelegen op de helling van een rotsachtige heuvel

tussen de twee wegen die van Jericho naar Jeruzalem leiden.


Een vreemde plek, als trappen, na de eerste helling, waar een pad omhoog slingert, zodat de eerste trede minstens drie meter boven het pad ligt, net als de tweede. Dor, dood... Heel triest.

"Meester," roept Simon de Zeloot, "Ik ben hier! Blijf staan, dan zal ik Je de weg wijzen..." En de Zeloot, die tegen de rots had geleund voor wat schaduw, komt naar voren en leidt Jezus over een pad met trappen dat naar Getsemane leidt, maar daarvan gescheiden is door de weg die van de Olijfberg naar Bethanië leidt.

"Hier zijn we. Ik woonde tussen de graven van Siloam, en hier zijn mijn vrienden. Een paar van hen. De anderen zijn bij Ben Hinnom, maar die kunnen niet komen... Ze zouden de weg moeten oversteken en dan zouden ze gezien worden."

"We gaan ook daarheen!"

"Dankjewel! Voor hen en voor mij."

"Zijn het er velen?"

"De winter heeft de meesten van hen gedood. Maar hier zijn er nog vijf van die met wie ik heb gesproken. Ze wachten op Je. Hier, op de rand van hun levenslange gevangenisstraf..."



Er moeten daar ongeveer tien monsters zijn.

Ik zeg "moeten", want hoewel er vijf duidelijk zichtbaar zijn, staand, zijn de anderen, zowel door de grijze huid en de misvorming van hun gezichten, als doordat ze nauwelijks boven de rotsen uitsteken, zo moeilijk te onderscheiden, dat het er meer of minder zouden kunnen zijn.

Tussen degenen die staan, is er maar één vrouw. Het enige wat je vertelt dat ze dat is, is haar grijze, onverzorgde haar, dat stijf en vuil over haar schouders valt, tot aan haar middel. Maar verder is het geslacht niet te onderscheiden. Omdat de ziekte, zo vergevorderd, haar heeft uitgehold en elke vrouwelijke ronding heeft uitgewist. Net zoals bij de mannen er maar één nog een spoor van een snor en een baard vertoont. De anderen zijn geschoren door de verwoestende ziekte.

Ze roepen: "Jezus, onze Redder, ontferm U over ons!"

En ze strekken hun misvormde of gewonde handen uit.

"Jezus, Zoon van David, ontferm U over ons!"


"Wat willen jullie dat Ik voor je doe?"

vraagt ​​Jezus, terwijl Hij Zijn gezicht opheft naar die ellende.

"Dat U ons redt van zonde en ziekte."


"Van zonde redt de wil en het berouw..."

"Maar als U wil, kunt U onze zonden uitwissen.

Die tenminste... als U ons lichaam niet wilt genezen."


"Als Ik jullie zeg: 'Kies tussen de twee', wat wil jullie dan?"

"Gods vergeving, Heer. Om minder desolaat te zijn."


Jezus knikt instemmend, glimlacht stralend,

steekt dan Zijn armen omhoog en roept: "Wees verhoord. Ik verlang ernaar."


Verhoord!

Dat kan om zonde of om de ziekte gaan, of allebei,

en de vijf ongelukkigen blijven onzeker.


Maar de apostelen zijn niet onzeker

en kunnen alleen maar hosanna roepen

als ze de melaatsheid zo snel zien verdwijnen als een sneeuwvlok die op een vuur valt.


En dan beseffen de vijf dat hun gebed vollédig verhoord is.

Hun kreet klinkt als een overwinningsbazuin.


Ze omhelzen elkaar

en geven Jezus kussen, niet in staat om overeind te komen,

en wenden zich dan tot hun metgezellen en zeggen:

"En jullie willen nog steeds niet geloven?

Wat zijn jullie toch ongelukkig?"


"Goed zijn! Wees goed!

Je arme broeders moeten nadenken. Zeg verder niets.

Geloof wordt niet opgelegd; het wordt gepredikt met vrede, zachtmoedigheid, geduld en volharding. 

Wat jullie zullen doen na je reiniging, zoals Simon met jullie heeft gedaan.

Bovendien spreekt het wonder zelf boekdelen.

Jullie, die genezen zijn, ga zo snel mogelijk naar de priester.

En jullie, die nog ziek zijn, wacht vanavond op ons.

Wij zullen jullie eten brengen. Vrede zij met je."


Jezus daalt weer af, gaat de weg op,

gevolgd door de zegen van allen.'


24 juni 1945

Reacties

Populaire posts van deze blog

Maria wil graag Elise terugzien, haar maatje in de tempel

Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd

Maria Magdalena, serafijn nu, mag zalven en aanraken