avondmaal aan zee, in simpele vissershutjes
250.3
Maria Valtorta:
'En vermengd, apostelen en discipelen
—en het spreekt vanzelf hoe blij velen van hen waren,
vooral die die Jezus al goed kennen—
keren ze terug naar de stad, over de rand ervan heen,
tot ze het verste punt van de baai bereiken,
die als een gebogen arm de zee in steekt.
Daar staan een paar hutten,
verspreid langs de korte, kiezelachtige kust,
die het meest ellendige stuk van de stad vertegenwoordigen,
het meest ontvolkte en dunbevolkte gedeelte.
Hier enkele kleine huisjes —kubussen van muren
die afbrokkelden door zout en ouderdom—allemaal gesloten,
en wanneer de discipelen ze openen, tonen ze hun rokerige ellende,
hun inrichting gereduceerd tot het absolute minimum.
"Kijk eens! Ze zijn heel comfortabel en schoon, al zijn ze niet mooi,"
zegt Isaak, die de honeurs waarneemt.
"Niet mooi nee, arme zielen. Aqua Speciosa was er een paleis bij.
En dan waren er nog die klaagden!..." moppert Petrus.
"Maar voor ons zijn ze een zegen!"
"Natuurlijk, natuurlijk!
Het belangrijkste is een dak boven je hoofd,
en elkaar liefhebben."
"O, kijk daar, onze Johannes!
Hoe gaat het met je? Waar was je?"
Maar Johannes van Endor,
hoewel hij naar Peter glimlacht,
rent naar Jezus toe om Hem te eren,
die hem met zeer vriendelijke woorden begroet.
"Ik had hem niet laten komen, omdat hij zich niet goed voelde...
Ik heb liever dat hij hier blijft. Hij is erg aardig voor de stadsbewoners,
en voor degenen die naar de Messias vragen..." zegt Isaak.
Inderdaad, de man uit Endor is een stuk magerder dan voorheen.
Maar zijn gezicht is sereen, de vermagering veredelt zijn gelaatstrekken.
Die doen denken aan iemand die al het dubbele martelaarschap heeft ondergaan,
naar lichaam en geest.
Jezus observeert hem en vraagt:
"Ben je ziek, Johannes?"
"Niet zieker dan ik was voor ik Jou leerde kennen. En dit in mijn lichaam.
Maar in mijn ziel, als ik mezelf goed inschat, genees ik, van mijn eigen wonden."
Jezus kijkt opnieuw naar zijn kalme ogen
en naar zijn voorhoofd, ingevallen bij de slapen,
en zegt verder niets, maar legt een hand op zijn schouder
terwijl Hij met hem een klein huisje binnengaat,
waar kommen met zeewater zijn gebracht
om Zijn vermoeide voeten te verkoelen,
en kannen met koud water,
om Zijn dorst te lessen.
Terwijl buiten, aan een eenvoudige tafel,
in de schaduw van een slanke pergola van klimplanten,
de maaltijden worden klaargemaakt.
En het is prachtig, wanneer de schemering valt,
en de zee haar avondgebeden fluistert, met het geruis van de branding op het kiezelstrand,
om te kijken naar Jezus' avondmaal met de vrouwen en de apostelen, zittend aan die ruwe tafel,
terwijl de anderen, sommigen zittend op de grond, anderen op stoelen of omgekeerde manden,
een kring vormen rond de hoofdtafel.
Het diner is snel voorbij,
en nog sneller wordt het afgeruimd,
want er waren maar weinig borden, enkel voor de belangrijkste gasten.
De zee is indigozwart gekleurd, in de stille, maanloze nacht.
En heel haar grootsheid wordt onthuld,
in dit droevige en plechtige uur,
typisch voor de kust.'
Reacties
Een reactie posten