Jezus mag met gevolg bij herders overnachten
248.3
M. Valtorta:
'"Heer, sta toe dat ook wij U aanbidden, zoals onze metgezellen in de gezegende nacht."
En terwijl hij in het stof van de weg knielt, roept hij naar de andere herders, die hun kudde bij de stadspoorten hebben laten stoppen - poorten bij wijze van spreken, want het is geen ommuurde stad - daar waar Jezus ook gestopt was, om op de vrouwen te wachten en met hen de stad in te gaan.
De herdersjongen roept: "Vader, broers en vrienden, wij hebben de Heer gevónden! Komen jullie! En laten we aanbidden!"
En de herders komen met hun kudde om Jezus heen staan,
en smeken Hem om niet naar anderen te gaan, maar hun eenvoudige huis te aanvaarden - niet ver daarvandaan - als zijn onderkomen en dat van Zijn vrienden.
"Het is een grote schaapskooi," leggen ze uit, "want God beschermt ons. En er zijn kamers en portieken vol geurig hooi. De kamers zijn voor Uw Moeder en haar zusters, omdat zij vrouwen zijn. Maar er is er ook een voor U! En de anderen kunnen bij ons, onder de galerij slapen, op het hooi."
"Ik zal ook bij jullie blijven. En dat zal me een aangenamer rust geven dan in de kamer van een koning te slapen. Maar laten we eerst Judas en Simon op de hoogte brengen!"
"Ik ga wel, Meester!" zegt Petrus.
En hij vertrekt met Jakobus, de zoon van Zebedeüs.
Allen blijven aan de kant van de weg staan,
wachtend op de terugkeer van de vier apostelen.'
Reacties
Een reactie posten