bleke Jezus uitkijkend over dal - in prille lente
CCCXXV
DE ACHT APOSTELEN
WEER VERENIGD MET JEZUS IN ACHZIB
325.1
Maria Valtorta:
'Jezus —een zeer magere en bleke Jezus,
zeer bedroefd, ik zou zeggen lijdend—
bevindt zich op de top, de allerhoogste piek
van een kleine heuvel waarop ook een dorp ligt.
Maar Jezus bevindt zich niet in het dorp op de top,
dat uitkijkt uit over de zuidoostelijke helling.
Hij bevindt zich op een uitloper, de hoogste,
uitkijkend naar het noordwesten.
Eerder west dan noord, eigenlijk.
Jezus, kijkend vanuit verschillende hoeken,
ziet derhalve een golvende bergketen
die in het uiterste noord- en zuidwesten
zijn laatste uitloper in de zee stort.
In het zuidwesten de berg Karmel,
vervagend in de verte
op deze heldere dag;
In het noordwesten,
met een scherpe kaap
als de punt van een schip,
die sterk lijkt op onze Apuaanse Alpen
met rotsachtige aderen die wit glinsteren in de zon.
Vanuit dit golvende berggebied
stromen talloze beekjes,
die in dit seizoen allemaal goed gevuld zijn,
en die over de kustvlakte lopen om in zee uit te monden.
Vlakbij de brede baai van Sicaminon,
mondt de meest weelderige hiervan, de Kison, in de zee
nadat hij a.h.w. een spiegel van water heeft gevormd
bij de samenvloeiing met een andere kleine rivier,
vlakbij de monding.
De middagzon op een heldere dag
trekt glinsteringen van topaas of saffier uit de waterlopen,
terwijl de zee één immense saffier is,
dooraderd met delicate parelsnoeren.
De zuidelijke lente begint al vorm aan te nemen
met de nieuwe bladeren die uit de open knoppen barsten,
teer, glanzend, ik zou zeggen maagdelijk, zo nieuw zijn ze,
zich niet bewust van stof en stormen,
insectenbeten en menselijk contact.
En de takken van de amandelbomen
zijn al schilfertjes roze-wit schuim,
zo zacht, zo etherisch,
dat ze zich lijken los te maken van hun stam
en door de heldere lucht zweven als kleine wolkjes.
Zelfs de velden van de vlakte,
niet uitgestrekt maar vruchtbaar,
tussen de noordwestelijke en zuidwestelijke kaap,
tonen een tere groene kleur van het graan
die alle droefheid van de velden verdrijft,
die nog maar kort tevoren kaal waren.
Jezus kijkt.
Van waar Hij staat, ziet Hij drie wegen.
De weg die het dorp verlaat en daar eindigt,
een smalle weg, alleen geschikt is voor mensen...
en twee andere die vanuit het dorp afdalen
en zich in tegengestelde richting splitsen:
naar het noord- en naar het zuidwesten.
Wat een lijdende Jezus!
Getekend door boetedoening,
veel meer dan toen Hij vastte in de woestijn.
Toen was Hij een bleke man, maar nog jong en krachtig.
Nu is Hij een man die uitgeput is door een ingewikkeld lijden,
dat zowel Zijn fysieke als morele kracht verzwakt.
Zijn ogen zijn zeer bedroefd, een verdriet
dat zowel zacht/zoet als streng/hard is.
Zijn smalle wangen
doen nog meer de spiritualiteit opvallen
van Zijn profiel, Zijn hoge voorhoofd, Zijn lange, rechte neus,
van Zijn mond met lippen volkomen verstoken van sensualiteit.
Een engelachtig gezicht, zo volledig sluit het materialiteit uit.
Zijn baard is langer dan normaal, tot op Zijn wangen gegroeid,
totdat hij overgaat in het haar dat over Zijn oren valt,
zodat alleen zijn voorhoofd, ogen, neus en smalle jukbeenderen
zichtbaar zijn, ivoorkleurig, zonder een spoor van roze tint.
Zijn haar is rudimentair gekamd, doffe en droge haren,
als herinnering aan de grot waar Hij verbleef,
met vele kleine stukjes droge bladeren
en takjes, verstrengeld in Zijn lange haar.
En Zijn gewaad en mantel, verkreukeld en stoffig,
verraden eveneens de wilde plek waar ze heen werden gebracht
en eindeloos zijn gebruikt.'
Reacties
Een reactie posten