Jezus ziet apostelen klimmen, en rent hen blij tegemoet
325.2
Maria Valtorta:
'Jezus kijkt...
De middagzon verwarmt Hem,
en het lijkt alsof Hij er blij mee is,
want Hij verlaat de schaduw van enkele eikenbomen,
om recht in de volle zon te komen.
Maar hoewel het een heldere, stralende zon is,
verlicht niet zij Zijn stoffige haar, Zijn vermoeide ogen,
noch geeft zij kleur aan Zijn uitgemergelde gezicht.
Het is niet de zon die Hem herstelt,
en zijn kleuren doet herleven.
Maar het is de aanblik van Zzijn geliefde apostelen,
die omhoog klimmen, gebarend, en kijkend naar het dorp vanaf de weg,
die uit het noordwesten komt, de vlakste althans.
Dán vindt de metamorfose plaats.
Zijn ogen lichten op, en Zijn gezicht lijkt minder mager,
dankzij een roze tint, die zich over zijn wangen verspreidt,
en vooral door de glimlach die Hem verlicht.
Hij ontkruist zijn armen, en roept uit: "Mijn geliefden!"
Hij zegt dit, terwijl Hij Zijn gezicht opheft en om Zich heen kijkt,
alsof Hij Zijn vreugde wil delen, met de stengels en planten,
met de heldere hemel, met de lucht die al naar de lente ruikt.
Hij trekt Zzijn mantel strak om Zich heen,
zodat die niet in de struiken verstrikt raakt,
en daalt snel via een kortere route af om hen te ontmoeten,
die aan het klimmen zijn en Hem nog niet hebben gezien.
Wanneer Hij hen kan horen, roept Hij hen,
om hen te laten stoppen op hun weg naar het dorp.
Zij horen de verre roep.
Misschien kunnen ze Jezus vanaf hun positie niet zien,
wiens donkere gewaad opgaat in het dichte bos dat de helling bedekt.
Ze kijken om zich heen, gebaren...
Jezus roept hen opnieuw...
Eindelijk verschijnt Hij, op een open plek in het bos,
in de zon, met Zijn armen lichtjes uitgestrekt,
alsof Hij hen al wilde omarmen.
Dan klinkt er een luide kreet
over de heuvel:
"De Meester!"
En met grote haast omhoog de rotsen op,
het pad verlatend, zich krabbend, struikelend, hijgend,
zonder het gewicht van hun tassen te voelen, de vermoeidheid van het lopen...
gedragen door de vreugde hem weer te zien.'
Reacties
Een reactie posten