2e bloeiende tak in de winter... Maria in extase
348.11
Maria Valtorta:
'"Maar luister, jullie die nu weten
dat er maar één Vrouw is in wie geen smet is,
maar één Schepsel dat de Verlosser geen verwonding heeft toegebracht,
luister... naar de tweede transfiguratie van Maria, Gods Uitverkorene.
Het was een serene middag in Adar [feb.-mrt.]
en de bomen in de stille tuin stonden in bloei,
en Maria, echtgenote van Jozefs,
had een tak van een bloeiende boom geplukt
om de andere in haar kleine kamer te vervangen.
Maria was onlangs naar Nazareth gekomen,
uit de Tempel gehaald om een huis van heiligen te sieren.
En met haar ziel verdeeld in drieën tussen de Tempel, het huis en de Hemel,
staarde ze naar de bloeiende tak, denkend
dat met een soortgelijke, ongewoon bloeiende,
tak die in deze boomgaard was afgesneden
midden in de winter
en die bloeide alsof het lente was
tegenover de Ark van de Heer...
—misschien had de Zonnegod,
stralend in Zijn Glorie,
hem verwarmd—
God haar Zijn wil had bekendgemaakt…
En ze dacht verder
dat Jozef haar op haar trouwdag andere bloemen had gebracht,
maar nooit zoals die eerste [tak], die op zijn lichte blaadjes geschreven droeg:
'Ik wil jou verenigd met Jozef'… [gehuwd]
Zulke dingen dacht ze...
-
En denkend, steeg ze op naar God.
Haar handen waren druk bezig tussen de spinrok en de spil,
en ze sponnen een draad fijner dan een haar
van haar jeugdige hoofd...
De ziel weefde een tapijt van liefde,
ijverig bewegend, als een schietspoel op het weefgetouw,
van de aarde naar de hemel.
Van de noden van het gezin, van de echtgenoot,
naar die van de ziel, van God.
En ze zong en ze bad.
En het tapijt nam vorm aan op het mystieke weefgetouw,
uitgerold van de aarde naar de hemel,
opgestegen om zich daar te verspreiden...
Waaruit bestond het?
Uit de dunne, volmaakte, sterke draden van haar deugden,
uit de vliegende draad van de weefspoel
die zij als de hare beschouwde,
terwijl die van God was:
de weefspoel van Gods wil,
waarop de wil van de kleine grote Maagd van Israël was gewikkeld,
de Onbekende voor de wereld, Bekende bij God,
haar wil gewikkeld, één gemaakt
met de wil van de Heer.
En het tapijt was versierd met bloemen van Liefde, van Zuiverheid,
met palmtakken van Vrede, met palmtakken van Glorie,
met viooltjes, met jasmijnen...
Élke deugd bloeide op het Tapijt van Liefde
dat de Maagd van God uitnodigend uitrolde,
van aarde naar hemel.
En omdat het tapijt niet genoeg was,
stortte ze haar hart uit in een Lied:
'Laat mijn Geliefde in Zijn tuin komen
en van Zijn appels eten...
Laat mijn Geliefde afdalen in Zijn tuin,
naar het bloembed van de kruiden,
om te eten uit de perken,
om lelies te plukken.
Ik ben van mijn Geliefde,
en mijn Geliefde is van mij,
Hij die zich voedt tussen de lelies!'
En vanuit oneindige afstanden,
te midden van stromen van Licht,
kwam een Stem die het menselijk oor niet kan horen,
noch een menselijke keel kan vormen.
En Hij zei:
'Hoe mooi ben jij, Mijn Vriendin!
Hoe mooi ben jij!...
Honing druipt van je lippen...
Je bent een gesloten tuin,
een verzegelde bron,
o Zuster,
Mijn Bruid...'
En sámen zongen de twee stemmen
de eeuwige waarheid:
'Liefde is sterker dan de dood.
Niets kan 'onze' Liefde
doven of overspoelen.'
-
En de Maagd werd verheerlijkt
zo...zo...zo...
terwijl Gabriël neerdaalde
en haar terugriep,
met zijn vuur,
naar de aarde,
haar geest herbond
met haar lichaam,
zodat zij het verzoek zou begrijpen en bevatten
van Hem die haar 'o Zuster' had genoemd,
maar die haar als 'Bruid' wilde.
Zie, daar vond het Mysterie plaats...
En een bescheiden vrouw,
de meest bescheiden van alle vrouwen,
zij die niet eens de instinctieve drang van het vlees kende...
viel flauw voor de Engel van God,
omdat zelfs een engel de nederigheid en bescheidenheid van de Maagd verstoort...
en zij werd alleen gerustgesteld
door hem te horen spreken,
en ze geloofde, en sprak het woord
waardoor 'hun' liefde Vlees werd
en de Dood zal overwinnen,
en geen water kan haar uitdoven,
noch kan goddeloosheid haar onderdompelen..."'
Reacties
Een reactie posten