Bartholomeüs ziet in dat lijden hem louterde
332.4
Maria Valtorta:
'"Meester, Simon van Jona en Simon Zeloot, die ik bestookte met vragen om veel te weten te komen en veel al bekende dingen te herbevestigen, zeiden mij slechts: 'De Meester heeft veel geleden, zo veel zelfs dat Hij mager en oud is geworden. En heel Israël, wijzelf voorop, zijn hiervoor verantwoordelijk. Hij heeft ons lief en vergeeft ons. Maar Hij wil niet over het verleden spreken. Daarom raden wij jou aan niks te vragen en niks te zeggen...' Maar ik wil het zeggen. Ik zal niks vragen, maar ik moet het zeggen. Zodat Jij het weet. Want niets van wat er in de ziel van Jouw apostel leeft, mag voor Jou verborgen blijven!
Op een dag – Simon en de anderen waren een paar dagen weg – kwam Michaël van Kana naar mij toe. Een familielid, een goede vriend, en medeleerling sinds mijn kindertijd... Hij kwam, daar ben ik zeker van, te goeder trouw. Uit genegenheid voor mij. Maar wie het ook was die hem gestuurd heeft, die handelde niet te goeder trouw!
Hij wilde weten waarom ik thuis was gebleven... terwijl de anderen waren vertrokken. En hij zei tegen mij: 'Dus het is waar? Jullie hebben je afgescheiden, omdat jullie, als goede Israëliet, bepaalde dingen niet kunnen goedkeuren. En de anderen houden je willens en wetens afgezonderd, te beginnen met Jezus van Nazareth, omdat ze er zeker van zijn dat jij hen niet zou helpen, ook niet door stilzwijgen.
Gelijk heb je! Ik herken in jou de man van weleer! Ik dacht dat je verdorven was geraakt en Israël had verloochend. Gelijk heb je, voor je eigen gemoedstoestand, en voor je eigen welzijn en dat van de jouwen. Want wat er gebeurt, zal niet worden vergeven door het Sanhedrin, en zij die eraan hebben deelgenomen, zullen worden vervolgd!'
-
Ik zei tegen hem: 'Waar heb jij het over? Ik heb jou verteld dat ik de opdracht kreeg om thuis te blijven gedurende de feestdagen, en om alle pelgrims naar Nazareth te verwijzen, of hen te vertellen dat ze aan het einde van sjevat (jan-feb) in Kafarnaüm moesten wachten op de Meester. En nu spreek jij tegen mij over afscheiding, medeplichtigheid, vervolging? Leg eens uit!...' - Is het niet waar, Filippus? Dat heb ik gezegd..."
Filippus knikt.
"Dus"... vervolgt Bartholomeüs, "vertelde Michaël me, dat het bekend was dat Jij in opstand was gekomen tegen het advies en bevel van het Sanhedrin, door Johannes van Endor en een Griekse vrouw bij Jou te houden... Heer, ik maak Je droevig, is het niet waar? Maar ik moet spreken... Ik vraag Jou: is het waar dat zij in Nazareth waren?"
"Ja. Het is waar."
"Is het waar, dat ze met Jou zijn meegegaan?"
"Ja. Het is waar."
"Filippus, Michaël had gelijk! Maar hoe kon hij dat weten?"
"Kom op zeg! Het zijn die slangen die mij en Simon hebben tegengehouden,
en wie weet hoeveel anderen... Het zijn de gebruikelijke adders!"
zegt Petrus heftig.
Jezus vraagt echter kalm:
"Heeft Hij jou niets anders verteld?
Wees eerlijk tegen je Meester, tot het einde toe."
"Niets anders. Hij wilde het van mij weten... En ik heb tegen Michaël gelogen. Ik zei: 'Ik blijf thuis tot Pasen.' Uit angst dat hij me zou volgen, dat... ik weet het niet... Uit angst om Jou kwaad te berokkenen... En toen begreep ik plots, waarom Jij mij had achtergelaten... Je vond dat ik nog te veel op Israël leek..."
Bartholomeüs begint weer te huilen...
"...en Je twijfelde aan me..."
"Nee. Niet dat! Absoluut niet!
Jij was op dat moment niet nodig bij je metgezellen,
terwijl Ik, zoals je ziet, in Bethsaïda was. Ieder zijn eigen missie.
En ieder, op elk moment, zijn eigen moeilijkheden..."
"Nee, nee! Scheid me niet opnieuw van Jou af,
vanwege welke moeilijkheid dan ook, Heer.
Houd nergens rekening mee...
Jij bent goed.
Maar ik wil bij Jou zijn.
Het is een straf om ver van Jou te zijn...
En ik, dwaas, tot niets in staat, had Jou tenminste kunnen troosten, als ik verder niets kon doen.
Ik heb het begrepen...
Jij hebt hen daar met die twee weggestuurd.
Vertel het me niet. Ik wil het niet weten.
Maar ik voel het, en ik zeg het ook.
Welnu, dan had ik bij Jou kunnen en moeten zijn.
Maar Jij hebt mij niet meegenomen om mij te straffen,
omdat ik zo terughoudend was om 'nieuw' te worden.
Maar ik zweer Je, Meester, dat wat ik heb geleden mij vernieuwd heeft,
en dat Jij de oude Nathanaël nooit meer zult zien!"
"Zo zie je maar, dat het lijden voor allen in vreugde is geëindigd!"'
Reacties
Een reactie posten