arme gasten worden gewassen, gekleed, gezegend
370.2
Maria Valtorta:
'De gasten!
Jezus' gedachten zijn duidelijk tot uitdrukking gebracht.
Het feestmaal van de liefde dat Hij in het huis van Zijn goede leerlinge wenste,
is een bladzijde uit het Evangelie in praktijk gebracht.
Er zijn bedelaars, kreupelen, blinden, wezen, ouderen,
jonge weduwen met hun baby's, die zich vastklampen aan hun kleren,
of die de schamele melk drinken van hun ondervoede moeders.
Dankzij Johanna's rijkdom konden ze hun versleten kleren al vervangen
door eenvoudige, maar schone en nieuwe kleren.
Maar als het keurig gekamde haar,
in een goddelijke voorziening van reinheid,
en als de schone kleren deze ongelukkigen,
die door de dienaren in rijen worden opgesteld,
of ondersteund om hen naar hun bestemming te brengen,
een blik geven die zeker minder ellendig is dan toen Johanna hen in de steegjes,
op de kruispunten, op de karrensporen naar Jeruzalem liet verzamelen,
waar hun armoede schandelijk verborgen was,
of tentoongesteld om aalmoezen te ontvangen,
dan blijven de ontberingen op hun gezichten,
de zwakheden in hun ledematen, het ongeluk, de eenzaamheid...
toch in hun blikken zichtbaar...
Jezus gaat voorbij en zegent hen.
Iedere ongelukkige ontvangt Zijn zegen,
en als de rechterhand wordt opgeheven om te zegenen,
dan wordt de linker neergelaten om de trillende, grijze hoofden van oude mannen
of de onschuldige hoofdjes van kinderen te strelen.
Zo loopt Hij heen en weer in de vestibule, iedereen zegenend,
zelfs degenen die binnenkomen terwijl Hij al aan het zegenen is,
en die, nog steeds in vodden gekleed, zich vol angst en ontzag verschuilen in een hoekje,
totdat de dienaren hen met vriendelijke gebaren naar een andere plek leiden
om, net als degenen die hen voorgingen, gewassen te worden
in schone kleren gestopt.'
Reacties
Een reactie posten