boer Daniël, verwant van Hilkia, herkent Messias wel
414.4
M. Valtorta:
'"Maar weet U dan niet dat U met geleerden
en met leden van het Sanhedrin spreekt?"
vraagt Hilkia.
"En wat dan nog?
Jullie stellen Mij vragen. Ik geef antwoord.
Jullie tonen een verlangen om te weten. Ik leg je de waarheid uit.
U wil Mij toch niet herinneren, u die voor een ontwerp op een kledingstuk
de vloek van Deuteronomium in herinnering bracht,
aan een andere vervloeking uit dezelfde passage:
'Vervloekt wie zijn naaste heimelijk neerslaat.' [Deut.27:24]"
"Ik sla U niet neer, ik geef U te eten."
"Nee. Maar die verraderlijke vragen, zijn als slagen in de rug.
Wees voorzichtig, Hilkia. Want Gods vervloekingen volgen elkaar op,
en de vloek die Ik noemde wordt nog gevolgd door de volgende:
'Vervloekt wie steekpenningen aanneemt om onschuldig bloed te vergieten.' [Deut.27:25]"
"In dit geval, bent U het, mijn gast, die geschenken aanneemt."
"Ik veroordeel niet eens schuldigen, als ze berouw hebben."
"Dan bent U geen rechtvaardige!"
"Net wel, Hij is een rechtvaardige.
Want Hij vindt dat berouw vergeving verdient, en veroordeelt daarom niet,"
zegt degene die Jezus al in de hal van het huis goedkeuring betoonde.
"Zwijg, Daniël!
Wil jij meer weten dan wij?
Of laat je je verleiden door iemand over wie nog veel te beslissen valt,
en die niets doet om ons te helpen in Zijn voordeel te beslissen?"
zegt een geleerde.
"Ik weet dat jullie de wijzen zijn, en ik maar een eenvoudige Jood,
ik weet niet eens waarom jullie me zo vaak bij jullie willen hebben..."
"Maar omdat jij familie bent! Dat makkelijk van begrip!
En ik wil dat degenen die tot mijn familie behoren heilig en wijs zijn!
Ik kan geen onwetendheid over de Schrift, de Wet, de Halasciot, Midrasciot en de Haggadah tolereren.
Alles moet bekend zijn. Alles moet nageleefd worden..."
"En ik ben jou dankbaar voor je zorg.
Maar ik, een eenvoudige boer, die onwaardig familie van jullie ben geworden,
heb alleen maar troost gezocht in het kennen van de Schriften en de Profeten.
En met de eenvoud van een ingevoerde, beken ik je,
dat ik in de Rabbi de Messias herken,
voorafgegaan door Zijn Voorloper
die Hem aan ons heeft aangewezen...
En Johannes, dat kun jij niet ontkennen,
was vervuld met de Geest van God!"
Stilte.
Ontkennen dat Johannes de Doper onfeilbaar was, willen ze niet.
Hem onfeilbaar noemen al evenmin.
En dan zegt een ander:
"Kom op...
Laten we zeggen dat de Voorloper de voorloper is van die engel
die God zendt om de weg voor Christus te bereiden.
En... laten we toegeven dat de Galileeër voldoende geheiligd is
dat we Hem als die engel kunnen beschouwen.
Ná Hem komt de tijd van de Messias.
Lijkt deze gedachte van mij niet voor elkeen verzoenend?
Accepteer jij het, Hilkia?
En jullie, mijn vrienden?
En U, Nazarener?"
"Nee."
"Nee."
"Nee."
De drie 'nee's' zijn duidelijk.
"Wat? Waarom keuren jullie het niet goed?"
Hilkia zwijgt.
Zijn vrienden zwijgen.
Alleen Jezus, oprecht, antwoordt:
"Omdat Ik een dwaling niet kan goedkeuren.
Ik ben meer dan een engel.
De engel was de Doper, de Voorloper van de Christus.
En ik ben de Christus."'
Reacties
Een reactie posten