Matthias praat zachtjes met kleine bij slapende Jezus


405.3

Maria Valtorta:

'Het kleine jongetje van eerder, 

prachtig in het korte tuniekje waartoe zijn kleding in dit hete uur is gereduceerd, 

steekt zijn bruine hoofdje door de keukendeur, gluurt naar buiten 

en komt voorzichtig naar voren met zijn tere voetjes, 

die lijden onder de door de zon gebakken grond.

Het losse tuniekje glijdt bijna van zijn mollige schouder.


Hij bereikt de discipelen

en staat op het punt over hen heen te stappen, om terug te gaan en Jezus te bekijken.

Maar zijn beentjes zijn te kort om over de gespierde lichamen van de volwassenen te stappen, 

en hij struikelt en valt bovenop Matthias, die wakker wordt 

en het beschaamde gezichtje, bijna vol tranen, van het jongetje ziet. 

Hij glimlacht en zegt, het manoeuvre van het kind aanvoelend:

"Kom hier, dan zet ik jou tussen mij en Jezus in.

Maar wees stil en rustig. Laat Hem maar slapen,

Hij is moe!"


En het kleine jongetje zit, gelukkig, Jezus' prachtige gezicht te aanbidden. 

Hij kijkt Hem aan, bestudeert Hem, verlangt ernaar Hem te strelen, 

Zijn gouden haar aan te raken.


Maar Matthias blijft wakker,

glimlacht en laat het niet toe.


Dan vraagt ​​het jongetje zachtjes:

"Slaapt Hij altijd zo?"


"Altijd zo," antwoordt Matthias.

"Is Hij moe? Hoezo?..."


"Omdat Hij zoveel loopt en zoveel praat."

"Waarom praat en loopt Hij zoveel?"

"Om kinderen te leren goed te zijn, de Heer lief te hebben, 

zodat ze met Hem naar de hemel kunnen gaan."


"Naar daarboven? Hoe doe je dat? Dat is ver weg..."

"De ziel, weet jij wat de ziel is?..."

"Nee!"

"Het is het mooiste wat er in ons is, en..."

"Mooier dan mijn ogen?

Mama zegt dat ik twee sterren als ogen heb.

Sterren zijn mooi, weet je?..."


De discipel glimlacht en antwoordt:

"Je ziel is mooier dan de sterretjes in je ogen.

Want een goede ziel is mooier dan de zon!"


"O! En waar is die dan? Waar heb ik die?"

"Hier. In jouw kleine hart.

En die ziet en hoort alles, en sterft nooit.

En als iemand nooit iets slechts doet, en een goede dood sterft, 

dan vliegt zijn ziel daarheen, tot bij de Heer."


"Bij Hem?"

en het jongetje wijst naar Jezus.

"Bij Hem."


"Maar heeft Hij een ziel?"

"Hij heeft een ziel én goddelijkheid. 

Want die Man die je ziet, dat is God."


"Hoe weet jij dat? Wie heeft jou dat verteld?"

"De engelen."


Het kind, dat volledig tegen Matthias aan was gaan zitten, 

kan dit nieuwtje niet rustig verwerken en springt op:

"Heb jij de engelen gezien?"

En hij kijkt Matthias met grote ogen aan.


Het nieuws is zo verbluffend,

dat hij Jezus even vergeet, en daarom niet ziet hoe Die Zijn ogen half opent, 

gewekt door het zachte gehuil van het kind, en ze dan weer met een glimlach sluit

en Zijn hoofd afwendt.


"Stil! Zie je?... Je maakt Hem wakker... 

Ik stuur jou weg."


"Al goed. Maar hoe zijn engelen dan?

Wanneer heb jij ze gezien?..."

Het stemmetje is weer een gefluister geworden.


En Matthias vertelt geduldig aan de kleine,

die weer op zijn schoot is komen zitten,

vol enthousiasme, over de kerstnacht.


En hij beantwoordt geduldig alle waarom-vragen:

"Waarom werd Hij in een stal geboren? Had Hij geen thuis?

Zo arm, dat hij geen thuis kon vinden?

En nu heeft Hij geen thuis? 

Heeft Hij geen moeder?

Waar is Zijn moeder?

Waarom laat ze Hem alleen, 

terwijl ze weet dat ze Hem zouden willen doden?

Houdt ze niet van Hem?..."


Een stortvloed aan vragen

en een stortvloed aan antwoorden.


En die laatste

— waarop Matthia antwoordt:

'Die heilige Moeder houdt heel veel van haar goddelijke Zoon.

Maar ze offert haar pijn op door Hem te laten gaan, zodat de mensen gered kunnen worden.

Om zichzelf te troosten, denkt ze dat er nog steeds goede mensen zijn, die wel van Hem houden..."—

lokt dit antwoord uit: "En dat er goede kinderen zijn die van Hem houden, weet ze dat dan niet?

Waar is ze? Vertel het me, dan ga ik het haar vertellen: 'Niet huilen. Ik heb liefde voor uw Zoon.'

Wat denk je? Zal ze blij zijn?..."


"Heel erg, kleine jongen," zegt Matthias, terwijl hij hem kust.

"En zal Hij blij zijn?..."

"Heel erg, heel erg! Je zult het Hem vertellen als Hij wakker wordt."

"O ja!... Maar wanneer wordt hij wakker?"

Het kind is ongeduldig...'


28 maart 1946

Reacties

Populaire posts van deze blog

Maria wil graag Elise terugzien, haar maatje in de tempel

Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd

Maria Magdalena, serafijn nu, mag zalven en aanraken