Jesus te gast bij hennep-touwslager
CDXXVI
MET DE ROMEINSE VROUWEN IN CAESAREA MARITIMA
PROFETIE IN WERK VAN VERGILIUS
DE JONGE SLAVIN GERED
426.1
Maria Valtorta:
'Jezus wordt ontvangen door de nederige familie van een touwslager.
Een laag, zoutig huis, dicht bij de zee.
Achter het huis bevinden zich licht geurende pakhuizen
waar goederen worden gelost voor ze door verschillende kopers worden overgenomen.
Ervoor ligt een stoffige straat, vol sporen van zware wielen,
lawaaierig door de lossers, straatjongens, karrenvoerders en zeelui
die onophoudelijk komen en gaan.
Aan de overkant van de straat ligt een kleine kade, waarvan het water troebel is,
door het afval dat erin wordt gegooid, en daar is het stil.
Vanaf de aanlegsteiger leidt een kleine kanaalhaven
naar de eigenlijke haven, groot genoeg voor grote schepen.
Aan de westkant, een zanderig erf, waar touw wordt gemaakt
te midden van het gekraak van handaangedreven lieren.
Aan de oostkant, nog een pleintje, maar veel kleiner
en nog lawaaieriger en chaotischer,
waar mannen en vrouwen netten en zeilen repareren.
En verder lage, zoutige hutten,
vol halfnaakte kinderen.
Je kunt zeker niet zeggen dat Jezus een statig huis heeft uitgekozen.
Vliegen, stof, lawaai, de geur van stilstaand zeewater,
de geur van geweekte hennep voor gebruik,
heersen er.
En de Koning der koningen,
uitgestrekt met Zijn apostelen op stapels onbewerkte hennep,
slaapt vermoeid in die armoedige ruimte, half kast, half pakhuis,
achter in het kleine huisje.
Van daaruit leidt een pikzwarte deur naar de al even zwarte keuken,
en door een deur die is aangevreten door wormen en aangetast door stof en zout,
waardoor hij puimsteengrijs wit is geworden, komt men op het plein waar touw wordt gemaakt
en waar de stank van gemalen hennep vandaan komt.'
Reacties
Een reactie posten