afstaan van Zoon, voor Maria mogelijk dankzij genade (maar daarom niet makkelijker)
454.3
Maria Valtorta:
'"Maar waarom...
Heeft Hij ons die vreselijke dingen verteld?
Ik heb geen rust meer sinds ik het heb gehoord..."
"En wist jij dan niet al eerder,
dat de Verlosser zou moeten lijden en sterven?”
"Tochwel! Maar ik wist niet dat het Jezus was.
Ik was dol op Hem, weet je? Meer dan op mijn eigen kinderen.
Zo mooi, zo goed... O! Ik benijdde jou, mijn Maria,
toen Hij nog een kind was, en daarna altijd... altijd...
had ik medelijden met Hem, zelfs voor een ademtochtje, en...
ik kan me niet voorstellen dat Hij gemarteld zal worden..."
Maria Klopas huilt onder haar sluier.
En Moeder Maria troost haar.
"Mijn Maria...
bekijk het niet vanuit een menselijk perspectief!
Denk aan de vruchten ervan...
Ik, je kunt je voorstellen... hoe ik het licht elke dag zie vervagen...
als het sterft, zeg ik: weer een dag minder om Jezus te hebben...
O! Maria! Voor een ding bovenal dank ik de Allerhoogste,
omdat Hij mij de gave heeft geschonken om volmaakte liefde te bereiken
- volmaakt voor zover een schepsel die kan bezitten -
liefde die mij in staat stelt mijn hart te helen
en te versterken door te zeggen:
'Zijn pijn en de mijne zijn nuttig voor mijn medebroers en -zussen,
en daarom zij de pijn gezegend.'
Als ik mijn naaste niet zo liefhad...
zou ik, nee, niet kunnen denken dat ze Jezus ter dood zouden brengen..."
"Maar wat voor soort liefde is dat dan, de jouwe?
Wat voor soort liefde moet je hebben, om zulke woorden te kunnen zeggen?
Om... om... om niet met je eigen kind weg te vluchten,
om hem te verdedigen en tegen je naaste te zeggen:
'Mijn eerste naaste is mijn zoon,
en hem heb ik boven alles lief'?"
"Hij die boven alles bemind moet worden, is God."
"En Hij is God."
"Hij doet de wil van de Vader, en ik samen met Hem.
Wat voor soort liefde is die van mij?
Wat voor soort liefde moet je hebben om zulke woorden te kunnen zeggen?
De liefde van eenwording met God, totale eenheid, totale overgave, opgaan in Hem,
niets meer zijn dan een deel van Hem, net zoals je hand een deel is van jezelf
en dat doet, wat je hoofd gebiedt.
Ziedaar mijn liefde, en het soort liefde wat je moet hebben
om altijd met goede wil de Wil van God te doen?"
"Maar jij bent jij.
Jij bent de Gezegende onder alle schepselen.
Zeker was je dat al voordat je Jezus kreeg,
want God heeft jou uitgekozen om Hem te krijgen,
en voor jou is het makkelijk..."
"Nee, Maria.
Ik ben de Vrouw en de Moeder zoals elke vrouw en moeder.
Gods gave vernietigt het schepsel niet.
Het heeft zijn menselijkheid zoals elk ander,
ook al geeft de gave het een zeer sterke spiritualiteit.
Je weet inmiddels wel, dat ik de gave uit eigen vrije wil moest aanvaarden,
mét alle gevolgen die erin waren inbegrepen.
Want elke goddelijke gave is een grote zegen,
maar ook een grote verplichting.
En God dwingt niemand om Zijn gaven te aanvaarden,
maar Hij onderzoekt het schepsel, en als het schepsel 'nee' zegt
tegen de geestelijke stem die tot hem spreekt,
dan afstaadwingt God niet."'
Reacties
Een reactie posten