brief van Maria: Alfeüs wou Jezus in stervensuur
104.6
Maria Valtorta:
'Herder Jozef komt binnen.
Hij is helemaal stoffig, alsof hij veel heeft gelopen.
"Jij hier? Hoezo?" vraagt Jezus na de begroetingskus.
"Ik heb brieven voor Je, van Je moeder gekregen,
en eentje is van haar zelf. Hier zijn ze!"
En Jozef biedt drie kleine rollen aan
van een soort dun perkament, bijeengebonden met een lint.
De grotere heeft ook een zegel dat hem afsluit. Een ander heeft alleen de knoop,
de derde toont een verbroken zegel.
"Deze is van Je moeder," zegt Jozef,
terwijl hij naar de brief met de knoop wijst.
Jezus vouwt hem open en leest hem. Eerst zachtjes en dan luidop.
"Aan mijn geliefde Zoon, vrede en zegen.
Rond het eerste uur van de maand Elul [aug.-sept.]
bereikte mij een boodschapper uit Bethanië. Het was Isaak, de herder,
aan wie ik in Jouw naam en uit dankbaarheid een kus van vrede en verkwikking gaf.
Hij bracht mij deze twee brieven die ik Jou stuur, waarbij hij mij mondeling vertelde
dat zijn vriend Lazarus van Bethanië Jou aanspoort om gehoor te geven aan zijn gebed.
Lieve Jezus, mijn gezegende Zoon en Heer,
ook ik wil Jou twee dingen vragen.
Ten eerste wil ik Jou eraan herinneren dat Je me beloofde
Je arme moeder te roepen om haar te onderwijzen in het Woord.
Ten tweede: kom niet naar Nazareth zonder eerst mij te hebben gesproken."
Jezus stopt abrupt, staat op en gaat tussen Jakobus en Judas staan.
Hij omhelst hen stevig en eindigt met het in gedachten herhalen van Maria's woorden:
"Alfeüs keerde terug in Abrahams schoot, tijdens de laatste volle maan,
en groot was de rouw van de stad..."
De twee zonen huilen op de borst van Jezus, die eindigt met:
"...In het laatste uur zou hij Jou bij zich hebben gewild. Maar Jij was ver weg.
Maar dit is een troost voor Maria, die hierin een vergeving van God ziet,
en het moet ook aan onze neven vrede schenken."
"Horen jullie? Dat zegt zij. En zij weet waar ze het over heeft."
"Geef mij de brief," smeekt Jakobus.
"Nee, het zou je pijn doen."
"Waarom? Wat kan nog pijnlijker zijn dan de dood van een vader?"
"Dat die ons vervloekt heeft," zucht Judas.
"Nee, dat is het niet," zegt Jezus.
"Dat zeg Jij... om ons niet te kwetsen. Maar zo is het nu eenmaal."
"Lees dan maar!"
En Judas leest:
"Jezus, ik smeek Je, en Maria smeekt Je ook:
kom niet naar Nazareth voordat de rouw voorbij is.
De liefde voor Alfeüs maakt dat de Nazareners onrechtvaardig tegenover Jou zijn,
en Je Moeder huilt daarom. Onze goede vriend Alfeüs troost mij en brengt rust in de stad.
Het verhaal van Aser en Ismaël over Chusas' vrouw heeft veel ophef veroorzaakt.
Maar Nazareth is nu een zee die door verschillende winden wordt geteisterd.
Ik zegen je, Mijn Zoon, en ik vraag om vrede en zegen voor mijn ziel.
Vrede voor onze neven.
Je Moeder"
De apostelen becommentariëren de brief
en troosten de wenende broers.'
Reacties
Een reactie posten