Schone van Korazim had écht berouw
96.3
Maria Valtorta:
'Ik weet waarom jullie uit Kafarnaüm zijn gekomen.
En Ik heb zozeer een zuiver geweten m.b.t. de zonde die Mij ten laste wordt gelegd,
en in naam waarvan - de niet-bestaande zonde - ze achter Mijn rug fluisteren,
insinuerend dat het aanhoren en volgen van Mij medeplichtigheid is met de zondaar,
dat Ik niet bang ben om de reden hiervan aan de mensen van Bethsaïda bekend te maken.
Onder jullie, burgers van Bethsaïda, zijn er enkele oudsten
die om verschillende redenen de Schone van Korazim niet zijn vergeten.
Er zijn mannen die met haar gezondigd hebben,
er zijn vrouwen die erom hebben gehuild.
Zij huilden en...
- Oh! Ik was nog niet gekomen
om te zeggen: 'Heb degenen lief die u kwaad doen!' –
zij huilden dus en verheugden ze zich daarna, toen ze haar door het rot aangevreten vonden,
sijpelend uit haar onzuivere ingewanden uit haar mooie lichaam,
beeld van die veel ernstiger melaatsheid die aan haar had geknaagd,
aan de ziel van de overspelige vrouw, de moordenaar en prostituee.
Overspelige vrouw/echtbreekster, zeventig maal zeven keren,
en met iedereen die de naam 'man' had en geld bezat.
Moordenares, zeven keer zeven maal,
van haar bastaardconcepties.
Prostituee uit ondeugd,
en geenzins uit noodzaak.
Oh! Ik begrijp jullie, bedrogen echtgenotes!
Ik begrijp jullie vreugde toen je het volgende hoorde:
'Het vlees van de Schone is stinkender en rotter
dan dat van een karkas dat in een greppel langs de steenweg ligt,
ten prooi aan kraaien en wormen.'
Maar Ik zeg jullie: weet te vergeven!
God heeft jullie gewroken, en toen heeft God vergeven.
Vergeven ook jullie.
Ik heb haar vergeven, ook in jullie naam,
omdat Ik weet dat jullie goed zijn, O vrouwen van Bethsaïda,
die Mij begroeten met de uitroep: 'Gezegend zij het Lam Gods!
Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer!'
Als Ik het Lam ben, en jullie Mij als zodanig erkennen,
als Ik onder jullie kom, Ik het Lam...
dan moeten jullie allen zachtmoedige schapen worden,
ook degenen die een verre, inmiddels verre pijn van bedrogen echtgenote,
behept met de instincten van een wild dier dat haar nest verdedigt.
Ik zou niet bij jullie kunnen blijven als jullie tijgers en hyena's waren,
Ik, die het Lam ben.
Hij die komt in de allerheiligste Naam van God
om rechtschapenen én zondaars te verzamelen om hen naar de hemel te brengen,
Hij is ook naar de berouwvolle gegaan, en vertelde haar:
'Wees gereinigd. Ga heen en doe boete.'
Ik heb dit op de Sabbat gedaan.
En daarvan beschuldigt men Mij.
Officiële aanklacht.
De tweede beschuldiging is een prostituee te hebben benaderd.
Iemand die prostituee wás. Nu was zij slechts een ziel die huilde om haar zonde.
Wel, Ik zeg: Ik heb het gedaan en Ik zal het weer doen.
Breng Mij het Boek, bekijk het, bestudeer het, ontleed het.
Vind, als je kunt, één passage die aan de arts verbiedt een patiënt te behandelen,
aan een Leviet om voor het altaar te zorgen, aan een priester om naar een gelovige te luisteren,
alleen maar omdat het Sabbat is.
En Ik zal, als je het vindt en het Mij laat zien, Ik zal zeggen, terwijl Ik op Mijn borst sla:
'Heer, Ik heb gezondigd tegen U en tegen de mensen. Ik ben geen vergeving waard.
Maar als U genadig wilt zijn voor Uw dienaar, zal Ik U zegenen zolang Mijn adem duurt.'
Want die ziel was ziek.
En zieken hebben een dokter nodig.
Zij was een ontheiligd altaar, en zij had een Leviet nodig om het te reinigen.
Zij was een gelovige, die naar de ware Tempel van de ware God ging, om te huilen,
en zij had een priester nodig om Hem te representeren.
Voorwaar, Ik zeg jullie:
Ik ben de Geneesheer, de Leviet, de Priester.
Voorwaar, Ik zeg jullie: als Ik Mijn plicht niet doe,
zelfs maar één ziel, die de prikkel van/het verlangen naar verlossing heeft,
zou verliezen door haar niet te redden,
dan zal God de Vader Mij om verantwoording vragen
en Mij straffen voor deze verloren ziel.
Ziehier Mijn zonde, volgens de machtigen van Kafarnaüm.
Ik had er ook mee kunnen wachten tot na de Sabbat. Ja.
Maar waarom zouden we nog eens vierentwintig uur wachten
met het opnieuw toelaten van een berouwvol hart in de vrede van God?
In dat hart was ware nederigheid, pure oprechtheid en volmaakt lijden.
Ik heb in dat hart gelezen.
De melaatsheid zat nog steeds op haar lichaam.
Maar haar hart was al genezen
door de balsem van jaren van berouw,
van tranen, van boetedoening.
Dat hart had niets anders nodig om dichter bij God te komen,
zonder door die nabijheid de heilige aura die God omringt, onrein te maken,
dan Mijn reconsecratie.
Ik heb het gedaan.
Ze kwam uit het meer, tot in haar vlees gereinigd.
Maar nog zuiverder in haar hart.'
Reacties
Een reactie posten