Aglaë blijkt Grieks hoertje - Maria niet afwijzend
168.2
Maria Valtorta:
'Maria kent haar niet... Ik wel.
Het is de gesluierde van Aqua Speciosa.
Ze staat op, terneergedrukt, trillend, schokkend door haar tranen,
en weigert nog steeds naarbinnen te gaan, zeggende: "Ik ben een heiden, Mevrouw.
Voor jullie Joden: vuiligheid, zelfs al was ik een heilige.
Dubbele vuiligheid, want ik ben een prostituee."
"Als je naar me toe komt, als je door mij mijn Zoon zoekt,
dan kun je niets anders zijn dan een berouwvol hart.
Dit huis verwelkomt hen wier naam Verdriet is."
En ze trekt haar naar binnen, sluit de deur,
zet de lamp terug op tafel, biedt haar een plaats aan
en zegt: "Spreek!"
Maar de gesluierde wil niet gaan zitten;
een beetje gebogen, zet ze haar huilen voort.
Maria staat voor haar, lieflijk en majestueus.
Ze wacht, biddend dat het gehuil mag bedaren.
Ik zie haar bidden met haar hele uiterlijk, ook al neemt niets in haar de vorm van een gebed aan.
Noch haar handen, die het handje van de gesluierde vrouw blijven vasthouden,
noch haar lippen, die gesloten zijn.
Eindelijk houdt het huilen op.
De gesluierde vrouw droogt haar gezicht met haar sluier, en zegt dan:
"En toch ben ik niet van zo ver gekomen om onbekend te blijven.
Het is het uur van mijn verlossing, en ik moet me onthullen om...
om U te laten zien, met hoeveel wonden mijn hart bedekt is.
En... en U bent een moeder... en Zijn Moeder...
Dus U zult medelijden met mij hebben."
"Ja, dochter."
"O ja, noem mij 'dochter'!...
Ik had een moeder... en ik heb haar verlaten... Ze vertelden me later dat ze stierf van verdriet... Ik had een vader... hij heeft me vervloekt... en tegen de mensen in de stad gezegd: 'Ik heb geen dochter meer'"...
(Het huilen begint weer heftig.
Maria wordt bleek van de pijn.
Maar ze legt een hand op haar hoofd om haar te troosten.)
De gesluierde vrouw vervolgt:
"Ik zal niemand meer hebben die mij 'dochter' noemt!...
Ja, zo, streel mij zo, zoals mijn moeder deed... toen ik puur en goed was...
Laat mij deze hand kussen, en mijn tranen ermee drogen.
Mijn tranen alleen wassen mij niet.
Hoeveel heb ik gehuild sinds ik het begreep!...
Vroeger ook, heb ik gehuild,
omdat het afschuwelijk is om enkel uitgebuit vlees te zijn,
vlees beledigd door de mens/man.
Maar het was het gehuil, de kreten van een gehavend dier,
dat haat en in opstand komt tegen hen die het martelen,
en ze werden steeds vuiler, want... ik veranderde van meesters, maar niet van beestachtigheid...
Acht maanden lang heb ik gehuild... omdat ik het begreep...
Ik heb mijn ellende, mijn verdorvenheid begrepen.
Ik ben ermee bedekt en van doordrenkt en ben het zat...
Maar mijn alsmaar bewuster huilen, wast mij nog niet schoon.
Het vermengt zich met mijn verdorvenheid en neemt het niet weg.
Oh! Moeder! Droog mijn tranen, en ik zal gereinigd worden
zodat ik mijn Redder kan naderen!"
"Ja, dochter, ja. Ga zitten. Hier, bij mij.
En spreek in vrede. Laat heel je last hier,
op deze knieën van mij als moeder."
En Maria gaat zitten.'
Reacties
Een reactie posten