Dina's arme, doodzieke moeder wordt genezen
218.10
Maria Valtorta:
'Ze bereiken een heel armzalig huisje,
aan het einde van een doodlopende straat.
"Hier is het, Heer. Kom binnen..."
Een armoedig kamertje, een strozak met een uitgeput lichaam erop,
drie kinderen tussen de tien en drie jaar oud, die naast de strozak zitten.
Armoede en honger schijnen overal doorheen.
"Vrede met u, mevrouw. Maak u geen zorgen. Maak u geen zorgen.
Ik heb uw dochtertje gevonden en ik weet dat u ziek bent.
Ik ben gekomen. Wilt u genezen worden?"
De vrouw antwoordt met een zwakke stem:
"O! Heer!... Maar voor mij is het voorbij!..."
En ze huilt.
"Uw dochter is gaan geloven dat de Messias u kan genezen. En u?"
"O! Ik zou dat ook geloven. Maar waar ís de Messias?"
"Ik ben het, degene die tot u spreekt!"
En Jezus, die over de strozak gebogen stond
en Zijn woorden mompelde vlakbij het gezicht van de verzwakte vrouw,
richt zich op en roept: "Ik wil het. Wees genezen!"
De kinderen zijn bijna bang voor zijn indrukwekkende aanwezigheid
en staan, drie verbaasde gezichten, rond het bed van hun moeder.
Dina drukt haar handen tegen haar kleine borst.
Een licht van hoop, van gelukzaligheid, flitst over haar kleine gezichtje.
Ze kreunt haast, zo groot is haar emotie.
Haar mond staat open voor een woord dat haar hart al mompelt,
en wanneer ze haar moeder, voorheen verwaarloosd en verlaten, ziet zitten,
alsof een kracht haar aantrok, zich in haar goot, rechtop, en daarna,
nog steeds met haar ogen gericht op die van de Heiland, ziet opstaan,
slaakt Dina een vreugdekreet: "Mama!"
Het woord dat haar hart vulde,
is uitgesproken!...
En dan nog een: "Jezus!"
En terwijl ze haar moeder omhelst, dwingt ze haar om te knielen, en zegt:
"Aanbid, aanbid! Hij is het die de meester van Tolmé de voorspelde Redder noemde!"
"Aanbid de werkelijke God, wees goed, gedenk Mij!
Vaarwel!"
En Hij vertrekt snel, terwijl de twee gelukkige vrouwen
nog steeds languit op de grond liggen...'
Reacties
Een reactie posten