in inham boven Tyrus, preek vanaf boot
251.2
Maria Valtorta:
'Twee mooie vissersboten komen dichterbij,
en de bemanning leunt over de kleinere boten van de discipelen.
"De Meester is bij ons, vrienden. Kóm, als jullie zijn woord willen horen!
Hij zal vanavond terugkeren naar Sicaminon!"
zegt Isaak.
"We komen meteen. Waar gaan we heen?"
"Naar een rustige plek. De Meester gaat niet van boord naar het eiland,
noch naar de stad op land. Hij spreekt vanuit de boot.
Kies een plek uit met schaduw en beschutting."
"Kom naar de rotsen achter ons!
Daar zijn rustige, schaduwrijke inhammen.
Jullie kunnen er ook aan land gaan."
En ze gaan naar een baai van het rif, verder naar het noorden.
De steile klif biedt beschutting tegen de zon.
De plek is afgelegen.
Alleen meeuwen en houtduiven hebben er hun thuis,
die op zee uit trekken en met luide kreten terugkeren naar hun nesten in de rotsen.
Andere boten hebben zich bij de begeleidende boten gevoegd en vormen nu een kleine vloot.
Aan het einde van deze kleine baai ligt een klein strandje.
Echt een klein plekje: een vierkantje bezaaid met rotsen.
Maar ongeveer honderd mensen passen er wel op.
De mensen gaan aan land via een brede, platte rots
die als een natuurlijke pier in het ondiepe water uitsteekt,
en ze nemen plaats op het kiezelstrandje, dat glinstert van het zout.
Het zijn magere mannen met donker haar, gebruind door de zon en de zee.
Korte onderkleding onthult hun lenige, slanke ledematen.
Het raciale verschil met de aanwezige Joden is zeer duidelijk, minder met de Galileeërs.
Ik zou zeggen dat deze Syrofeniciërs meer lijken op de verre Filistijnen
dan op de volkeren die dichterbij wonen.
Tenminste, dat is wat ik zie.'
Reacties
Een reactie posten