in Antiochië: getuigenis van de Zeloot (ex-melaatse)
324.2
Maria Valtorta:
'"'t Is aan jou, Simon Zeloot!
Ik heb gesproken, ga jij verder!"
De Zeloot, zo plots gegrepen
en zo duidelijk aangewezen als tweede spreker,
kan niet anders dan zonder aarzeling of verwijt naar voren treden.
En dat doet hij, door te zeggen:
"Ik zal de redevoering van Simon Petrus voortzetten,
het hoofd van ons allen door de wil van de Heer.
En ik zal op mijn beurt uitgaan van Jesaja 52,
gezien door iemand die de vleesgeworden Waarheid kent,
wiens dienaar hij voor eeuwig is.
Er staat geschreven:
"Sta op, bekleed u met kracht, o Sion,
bekleed u met uw feestgewaad, o stad van de Heilige."
[Jes.52:1]
Zo hoort het ook te zijn!
Want, wanneer een belofte wordt vervuld,
wanneer vrede wordt gesloten, veroordeling ophoudt, en de tijd van vreugde aanbreekt,
dan moeten de harten en steden zich voor de gelegenheid tooien
en hun neerslachtige hoofden opheffen,
in het gevoel dat ze niet langer gehaat,
niet langer verslagen en geslagen zijn,
maar geliefd en bevrijd.
We zijn hier niet om Jeruzalem te berechten.
De (naasten)liefde, de voornaamste deugd, verbiedt dat.
Laten we daarom niet langer kijken naar de harten van anderen,
maar naar die van onszelf.
Laten we onze harten bekleden met kracht,
met dat geloof waar Simon over sprak,
en laten we ons voor de gelegenheid tooien,
want ons eeuwenoude geloof in de Messias
is nu bekroond met de werkelijkheid.
De Messias, de Heilige, het Woord van God
is wérkelijk onder ons.
En het bewijs hiervan is niet alleen te zien
in zielen die woorden van wijsheid horen,
die hen versterken en heiligheid en vrede schenken.
Maar ook in lichamen die door het werk van de Heilige,
aan wie alles door de Vader wordt geschonken,
zich bevrijd zien van de meest afschuwelijke ziekten
en zelfs van de dood.
Zodat de landen en valleien van ons vaderland Israël
mogen weergalmen van hosanna's voor de Zoon van David
en voor de Allerhoogste die Zijn Woord zond,
zoals Hij aan de patriarchen en profeten
had beloofd.
Ik, die tot je spreek, was een melaatse,
voorbestemd om te sterven, na jaren van wrede pijn,
in de wilde eenzaamheid die typisch is voor melaatsen.
Een man zei tegen mij: "Ga naar Hem,
naar de Rabbi van Nazareth,
en je zult genezen worden."
Ik had geloof.
Ik ging.
Ik werd genezen.
In mijn lichaam.
In mijn hart.
In het ene: niet langer de ziekte die ons van de mensen scheidt.
In het andere: niet langer de wrok die ons scheidt van God.
En met een nieuwe geest, ben ik
van een verstotene, zieke, rusteloze,
Zijn dienaar geworden.
Geroepen tot de gelukkige missie om onder de mensen te gaan,
hen lief te hebben in Zijn naam, en hen te onderwijzen
in de enige noodzakelijke kennis:
dat Jezus van Nazareth de Redder is,
en dat zalig zijn, zij die in Hem geloven."'
Reacties
Een reactie posten