farizeeën eisen teken - Jezus toont gestenigde hand
342.6
Maria Valtorta:
'Een spottende lach en geschreeuw
klinken van achter in de synagoge.
De mensen protesteren;
de synagoge-overste, wiens ogen zelfs gesloten zijn,
zozeer geconcentreerd op het luisteren naar Jezus,
staat op en gebiedt stilte,
en dreigt de onruststokers eruit te zetten.
"Laat hen maar hun gang gaan.
Nodig hen uit om hun tegenspraak te presenteren!"
zegt Jezus met luide stem.
"O! Goed! Dat is goed!
Laat ons dichterbij komen!
Wij willen U ondervragen!"
roepen de tegenstanders ironisch.
"Kom! Laat hen passeren, jullie van Kedesh."
En de menigte, met vijandige blikken en grimassen
– en een paar beledigingen ontbreken niet –
laat hen naar voren komen.
"Wat willen jullie weten?"
vraagt Jezus streng.
"Dus U zegt dat U de Messias bent?
Bent U daar absoluut zeker van?"
Jezus, met Zijn armen over elkaar,
kijkt naar degene die met zoveel autoriteit sprak,
dat de ironie van de man plots verdwijnt en hij zwijgt.
Maar een ander neemt het woord en zegt:
"U kunt niet verwachten dat wij U op Uw woord geloven.
Iedereen kan liegen, zelfs te goeder trouw.
Maar om te geloven, is bewijs nodig.
Geef ons dan bewijs dat U bent
wat U zegt dat U bent!"
"Israël is vol van Mijn bewijzen!
zegt Jezus vastberaden.
"O, die!...
Kleinigheden, die elke heilige kan doen.
Die zijn al gedaan en zullen opnieuw gedaan worden
door de rechtvaardigen van Israël!"
zegt een farizeeër.
Een ander voegt eraan toe:
"Het is ook niet gezegd dat U ze uit heiligheid doet, en met Gods hulp!
Er wordt gezegd, en dat is zelfs zeer geloofwaardig, dat U door Satan geholpen wordt.
Wij willen meer bewijs. Groter bewijs. Het soort bewijs dat Satan niet kan geven."
"Maar ja! Een overwonnen dood!..." zegt een ander.
"Die hebben jullie gehad."
"Dat waren schijndoden.
Laat ons een ontrafelde man zien,
die tot leven komt en zich herpakt, als voorbeeld.
Om er zeker van te zijn dat God met U is.
God, de enige die nieuw leven kan geven
aan de modder die al tot stof is vergaan."
"Dit werd nooit gevraagd aan Profeten,
om in hen te geloven."
Een Sadduceeër roept:
"U bent meer dan een profeet.
U, tenminste dat zegt U zelf, bent de Zoon van God!...
Ah! Ah! Waarom gedraagt U zich dan niet als God?
Kom op! Geef ons een teken! Een teken!"
"Ja! Een teken uit de hemel, dat laat zien dat U de Zoon van God bent!
En dan zullen we U aanbidden!" roept een Farizeeër.
"Natuurlijk! Je hebt gelijk, Simon!
Wij willen niet in de zonde van Aäron vervallen...
Wij aanbidden het afgodsbeeld, het Gouden Kalf, niet.
Maar wij zouden het Lam van God kunnen aanbidden!
Bent U dat niet?...
Zolang de hemel ons maar laat zien dat U het bent!"
zegt degene die Uziël heet, en die in Giscala was,
en hij lacht sarcastisch.
Een ander begint te roepen:
"Laat mij spreken, ik ben Zadok, de gouden schrftgeleerde!
Hoor mij, o Christus!
U bent voorgegaan door te veel mensen die geen Christus waren.
Genoeg van die bedriegers! Een teken dat U het wel bent!
En God, als Hij met U is, kan het U niet ontzeggen.
En wij zullen in U geloven en U helpen.
Zo niet, dan weet U wat U te wachten staat,
volgens het Gebod van God!"
Jezus heft zijn gewonde rechterhand op
en laat die duidelijk aan zijn gesprekspartner zien.
"Ziet u dit teken? U hebt het gemaakt.
U hebt uw wijsvinger naar nog maar eens een teken gericht.
En wanneer u het in het vlees van het Lam gegraveerd ziet,
zult u zich verheugen. Kijk ernaar! Ziet u het?
U zult het ook in de hemel zien!
Wanneer u voor de rechter moet verschijnen
om rekenschap te geven van uw levenswandel.
Want Ik zal u oordelen,
en Ik zal daarboven zijn, met Mijn verheerlijkte Lichaam,
met de tekenen van Mijn dienst en die van jullie,
van Mijn liefde en van jullie haat.
En ook u zult het zien, Uziël, en u, Simon,
en Kajafas en Annas zullen het zien, en vele anderen,
op de Laatste Dag, de dag van de Toorn, de verschrikkelijke dag.
En omwille daarvan zullen jullie liever in de diepte zijn,
want Mijn teken op de gewonde hand zal jullie harder treffen
dan het vuur van de hel."
"O! Allemaal woorden en godslasteringen!
U, in de hemel, met Uw lichaam?! Godslasteraar!"
U die oordeelt in de plaats van God?! Een vloek over U!
U belediger van de hogepriester! U verdient het om gestenigd te worden!"
roepen alle farizeeën, sadduceeën en geleerden in koor.'
Reacties
Een reactie posten