Jezus wil absoluut in oude vrijstad Kedesh spreken
342.2
Maria Valtorta:
'Alles gaat goed
tot ze een prachtig plein betreden,
dat van de fontein en de synagoge,
waar mensen dicht op elkaar staan en zaken doen.
De markt ligt echter lager en ten zuidwesten van de stad,
waar de hoofdweg die vanuit het zuiden komt
en de andere, de weg die door Jezus is afgelegd,
die vanuit het westen komt,
samenkomen.
Deze straten,
die haaks op elkaar staan,
komen samen in één weg die onder de poort doorloopt
tot hij een groot, rechthoekig plein wordt waar ezels en tapijten,
verkopers, kopers en de gebruikelijke drukte zijn...
Maar zodra ze dit prachtige plein bereiken...
— het hart van de stad, geloof ik,
niet zozeer omdat het even ver van de stadsmuren verwijderd is,
maar omdat het spirituele en commerciële leven van Kedesh hier bruist,
en de dominante ligging, ver boven het grootste deel van de stad,
geschikt voor verdediging als een citadel,
lijkt dit ook aan te geven—
...begint de ellende.
Als een groep grommende honden
die wachten om een weerloze pup aan te vallen,
of liever gezegd, als een groep jachthonden die het wild besluipen
dat ze in de wind hebben geroken,
staat een grote groep Farizeeën en Sadduceeën,
vermengd met, om hen te drogeren, een snufje rabbijnen,
gezien in Giscala, onder wie degene die Uziël heet,
tegen de grote en prachtige poort van de rijke synagoge,
versierd met beeldhouwwerken en friesen.
En meteen wijzen ze naar Jezus en de apostelen.
"Ach Heer! Ze zijn hier ook!"
zegt Johannes, ontzet, terwijl hij zich omdraait
om met Jezus te spreken.
"Wees niet bang. Ga vol vertrouwen verder.
Maar wie geen zin heeft om die ellendelingen onder ogen te zien,
kan zich terugtrekken in de herberg.
Ik wil hier absoluut spreken,
in een oude Levitische stad
en toevluchtsoord!"
Ze protesteren allemaal:
"Meester, kun Je verwachten dat Je met rust gelaten wordt?!
Ze mogen ons allemaal doden als ze willen.
Maar wij zullen Jouw lot delen!"'
Reacties
Een reactie posten