pochende Judas heeft naarstig naar tweetal gezocht
334.6
M. Valtorta:
'"Je kunt gerust zijn, Meester.
Alle groepen discipelen die ik heb bezocht, werken op een heilige manier.
Het idee verspreidt zich steeds meer!
Ik wilde persoonlijk de gevolgen ervan testen
op de machtigste schriftgeleerden en Farizeeën.
Ik kende al velen van hen, en heb er nu andere ontmoet, uit liefde voor Jou!
Ik heb Sadduceeën en Herodianen benaderd... O! Ik verzeker Je...
dat mijn waardigheid volledig werd verpletterd!...
Maar allemaal voor Jouw liefde!
Dit en meer zal ik doen!
Ik heb minachtende afwijzingen en vervloekingen ontvangen.
Maar... ik ben er ook in geslaagd sympathie te wekken bij sommigen
die vooroordelen tegen Jou koesterden.
Ik wil Jouw lof niet.
Het is genoeg voor mij dat ik mijn plicht heb gedaan,
en ik dank de Eeuwige dat Hij mij altijd heeft geholpen.
Ik heb in bepaalde gevallen wonderen moeten gebruiken.
En ik betreurde het, omdat zij blikseminslagen verdienden en geen zegeningen.
Maar Jij zegt dat we moeten liefhebben en geduldig zijn...
Dat heb ik gedaan, tot eer en glorie van God,
en tot Jouw vreugde!
Ik hoop dat veel obstakels nu voorgoed zullen zijn afgebroken,
des te meer omdat ik hen op mijn erewoord heb verzekerd
dat die twee die zoveel schaduw over Jou wierpen,
er niet meer zijn.
Nadien kreeg ik twijfels
over het feit dat ik iets had beweerd wat ik niet zeker wist.
Daarom wilde ik het controleren, zodat ik actie kon ondernemen,
om te voorkomen dat ik betrapt zou worden op liegen,
wat me voor altijd verdacht zou maken
onder de bekeerlingen…
Stel je voor!
Ik was zelfs naar Annas en Kajafas toe gegaan!…
O! Die wilden mij verbranden met hun verwijten...
Maar ik was zo nederig, zo overtuigend, dat ze uiteindelijk tegen mij zeiden:
'Wel, als het echt zo is... Wij wisten wel beter. De leiders van het Sanhedrin, die het hadden kunnen weten, hadden ons het tegenovergestelde verteld en..."
-
"Jij wilt toch niet zeggen dat Jozef en Nicodemus leugenaars waren?"
onderbreekt de Zeloot, die zich tot dan toe heeft ingehouden, maar nu niet langer,
en die woedend is over de moeite die Judas heeft gedaan.
"En wie zegt dat? Integendeel!
Jozef zag me toen ik Annas' huis verliet
en hij zei tegen me: 'Waarom ben je zo van streek?'
Ik vertelde hem alles en hoe Jij, Meester, op advies van hem en Nicodemus
de veroordeelde en de Griek had weggestuurd.
Daarom heb Jij hen weggestuurd, toch?"
vraagt Judas,
terwijl hij Jezus indringend aankijkt
met zijn pikzwarte ogen,
die bijna fosforescerend lijken.
Hij lijkt hem met zijn blik te willen doorboren,
te willen lezen wat Jezus heeft gedaan.
Jezus, die hem nog steeds vlak voor Zich heeft, zegt kalm:
"Ga alsjeblieft verder met je verhaal, het interesseert me zeer.
Het is een nauwkeurig verslag dat erg nuttig kan zijn."
-
"Aha!...
Ik zei dus dat Annas en Kajafas van gedachten waren veranderd.
Dat betekent veel voor ons. Is het niet? En dan!...
O! Nu laat ik jullie lachen! Maar weten jullie
dat de rabbijnen me middenin de zaak betrapten
en me een nieuwe test lieten ondergaan,
alsof ik een minderjarige was die de puberteit naderde?
En wat een test!
Bon. Ik overtuigde ze en ze lieten me gaan.
Toen begon ik te vermoeden en te vrezen
dat ik iets onwaars had gezegd.
En ik dacht eraan om Thomas mee te nemen
en terug te gaan naar waar de discipelen waren,
of waar Johannes en de Griekse vrouw vermoedelijk hun toevlucht hadden gezocht.
Ik bezocht Lazarus, Manaën, het paleis van Chusas, Elise van Bethzur, Battir in Johanna's tuinen, Gethsemane, Salomo's huisje aan de overkant van de Jordaan, Aqua Spesiosa, Nicodemus, Jozef..."
"Maar had je die dan niet gezien?"
"Jawel. En hij verzekerde me dat hij die twee nooit meer had gezien.
Maar weet je... ik wilde zeker zijn...
Kortom: ik heb elke plek onderzocht waar ik kon vermoeden dat hij was...
En denk niet dat ik het erg vond als ik hem niet kon vinden. Je zou me onrecht aandoen.
Elke keer – en Thomas kan dit bevestigen – elke keer dat ik een plek verliet zonder hem te hebben gevonden, of zelfs maar een glimp van hem te hebben opgevangen, zei ik: 'God zij dank!' en zei: 'O Heer, laat ik hem nooit meer vinden!' Precies zo! Het zuchten van mijn ziel...
De laatste plek was Esdrelon..."'
Reacties
Een reactie posten