Jezus,Thomas en de Zeloot in Jozefs atelier
CDXXXIV
HANDENARBEID IN NAZARETH
-GELIJKENIS VAN HET GELAKTE HOUT-
434.1
Maria Valtorta:
'De rustieke open haard in de werkplaats wordt aangestoken, na een lange periode van inactiviteit, en de geur van kokende lijm vermengt zich met de kenmerkende geur van zaagsel en vers geschaafd hout, of liever gezegd, van hout dat aan de voet van een werkbank wordt gemaakt.
Jezus werkt energiek aan houten planken, die Hij met behulp van zaag en schaaf tot stoelpoten, lades, enzovoort, transformeert. Enkele meubels, de bescheiden meubels uit het huisje in Nazareth, zijn de werkplaats binnengebracht. De kast die gerepareerd moet worden, een van Maria's weefgetouwen, twee krukjes, een tuinladder, een kleine kist en de ovendeur, die volgens mij aan de onderkant is aangetast, misschien door muizen.
Jezus werkt eraan om te herstellen wat door gebruik en ouderdom is versleten. Thomas daarentegen, met een heel arsenaal aan kleine goudsmid-gereedschappen, die hij ongetwijfeld uit de tas op zijn bed heeft gehaald - die hij, net als de Zeloot, tegen de muur had gezet - bewerkt lichtvoetig enkele zilveren platen. Het tikken van zijn hamer op de graveerstift, wat een zilverachtig geluid voortbrengt, vermengt zich met het robuuste gekletter van de gereedschappen die Jezus gebruikt.
Zo nu en dan wisselen ze een paar woorden, en Thomas is zo blij om daar bij de Meester te zijn en aan zijn goudsmeedwerk te werken —en hij zegt het ook echt— dat hij tijdens de pauzes die vallen in het gesprek zachtjes tussen zijn tanden fluit. Zo nu en dan slaat hij zijn ogen op en denkt na, terwijl hij geboeid naar de rokerige muur van de grote kamer staart.
Jezus merkt hem op en zegt:
"Haal je inspiratie uit die zwarte muur, Thomas?
Het is waar dat het lange werk van een rechtvaardige hem zo gemaakt heeft,
maar het lijkt Me niet dat hij een goudsmid kan inspireren..."
"Nee, Meester, een goudsmid kan de poëzie van heilige armoede niet nabootsen in duur metaal...
Maar hij kan met zijn metaal wel prachtige dingen uit de natuur, en zo goud en zilver veredelen
door er de bloemen, de bladeren die in de schepping voorkomen mee na te bootsen.
Ik denk aan die bloemen, die bladeren, en, om me hun uiterlijk precies te herinneren,
staar ik zo, met mijn ogen op de muur gericht, maar in werkelijkheid zie ik de bossen
en de weiden van ons vaderland, de lichte bladeren, de bloemen die op kelken
of op sterren lijken, de stengels en de takken..."
"Jij bent dus een dichter, een dichter die in metaal zingt
wat een ander op perkament met inkt zingt."
"Inderdaad. Een goudsmid is inderdaad een dichter die de schoonheid van de natuur in metaal vastlegt.
Maar ons werk, kunstzinnig en mooi, is niet waardig aan het Uwe, nederig en heilig,
want het onze dient de ijdelheid van de rijken,
terwijl het Uwe de heiligheid van het huis,
en het nut van de armen."
"Je hebt gelijk, Thomas!" zegt de Zeloot,
die op de drempel van de tuin is verschenen,
in zijn schamele gewaad, met opgerolde mouwen,
een oud schort voor zich en een pot verf in zijn hand.
Jezus en Thomas draaien zich om en kijken hem glimlachend aan.
En Thomas antwoordt: "Zeker heb ik gelijk. Maar voor één keer wil ik,
dat het werk van de goudsmid dient om een... goed, heilig ding te sieren..."
"Welk?"
"Een geheim van mij. Ik heb hier lang over nagedacht!
En sinds we in Rama waren, heb ik een klein goudsmidstasje bij me gedragen,
wachtend op dit moment..."
Reacties
Een reactie posten