blij weerzien met herders Daniël en Benjamin
103.5
Maria Valtorta:
'"Hier zijn we dan, op het land dat in bezit is van Eliseüs.
De weilanden zijn nog ver weg, maar op dit uur van de dag
staan de schapen vanwege de zon bijna altijd in de schaapskooien.
Ik ga kijken of ze er zijn!"
En Jonathan gaat er bijna rennend vandoor.
Na enige tijd komt hij terug, met twee stevige, vergrijsde herders,
die zich werkelijk van de helling naar beneden storten om bij Jezus te komen.
"Vrede zij met jullie!"
"Oh! Oh! Ons Kindje van Bethlehem!" zegt de ene.
En de andere: "Vrede van God, tot ons gekomen, moge U gezegend zijn."
De mannen liggen voorovergebogen in het gras.
Er is geen begroeting voor een altaar zo diep
als deze begroeting voor de Meester.
"Staan jullie op!
Ik geef jullie op mijn beurt Mijn zegen en Ik doe dat graag,
want hij brengt vreugde voor hen die dat waard zijn."
"Oh! Wij zijn het waard?"
"Ja, jullie, altijd trouw gebleven!"
"En wie zou dat niet zijn geweest? Wie kan dat uur uitwissen?
Wie kan zeggen: 'Wat wij zagen is niet waar?'
Wie kan vergeten dat U maandenlang naar ons hebt geglimlacht,
toen wij, 's avonds met de schapen teruggekeerd, U aanriepen
en U in Uw handjes klapte, op het geluid van onze fluitjes?...
Weet je nog, Daniël?
Bijna altijd gekleed in het wit, in de armen van Uw Moeder,
verscheen U aan ons in de zonnestralen op Anna's gazon
of vanuit het raam, en U leek wel een bloem...
gelegd op de sneeuw van de jurk van Uw Moeder."
"En die keer dat U, toen U Uw eerste stapjes zette,
een lammetje ging aaien, dat minder gekruld was dan U? Wat was U blij!
En wij wisten niet wat we met onze plattelandsmanieren aan moesten.
Wij wensten dat we engelen waren, zodat we minder onbeleefd zouden lijken tegen U..."
"Oh! Mijn vrienden! Ik zag jullie hart! En dat zie Ik ook nu!"
"En U lacht naar ons, zoals indertijd!"
"En U bent helemaal hierheen gekomen, naar ons arme herders!"
"Maar Mijn vrienden. Nu ben Ik tevreden. Ik heb jullie allemaal weer gevonden
en Ik zal jullie nooit meer verliezen. Kun je de Mensenzoon en Zijn vrienden onderdak bieden?"
"Oh! Heer! Maar vraagt U dat? Er is geen gebrek aan brood en melk.
Maar als we maar één hapje hadden, dan zouden we het aan U geven,
alleen maar om U bij ons te houden. Toch, Benjamin?"
"Wij zouden U ons hart geven voor voedsel, onze langverwachte Heer!"
"Laten we dan gaan! Wij zullen het over God hebben..."
"En over Uw verwanten, Heer! Jozef, zo goed! Maria… oh! Uw Moeder!
Kijk eens naar deze dauwfrisse narcis. Die is mooi en puur in haar kroon, die op een diamanten ster lijkt. Maar zij… oh! Dit is vuiligheid vergeleken met Uw Moeder! Haar glimlach was een zuivering, haar ontmoeten was een feest, naar haar luisteren jezelf heiligen. Jij herinnert je die woorden nog, Benjamin?"
"Ja, ik kan ze U opnieuw herhalen, Heer. Want wat Zij ons vertelde, in de maanden dat wij Haar konden horen, staat hier geschreven (en hij slaat zich op de borst)! Het is de pagina van onze wijsheid. En we begrijpen het ook, want het is een woord van liefde. En liefde… oh! Liefde wordt door iedereen begrepen! Kom, Heer, kom binnen en zegen deze gelukkige woonplaats!"
Ze gaan een ruimte binnen, vlak bij de grote schaapskooi
en alles eindigt.'
Reacties
Een reactie posten