neven Judas en Jakobus lijden om Alfeüs
100.7
Maria Valtorta:
'Jezus zegt:
"Laten we sneller gaan om Mijn twee neven te troosten."
Ze gaan, en komen de grote werkplaats binnen.
Neven Judas en Jakobus zitten bij de grote timmermanswerkbank.
Jakobus staat, Judas zit op een krukje, met zijn elleboog op de bank,
en zijn hoofd op zijn hand.
Jezus gaat glimlachend naar hen toe en stelt hen meteen gerust
door te zeggen dat Zijn hart van hen houdt:
"Alfeüs is nu rustiger. De pijn neemt af
en alles wordt weer vredig.
Jullie ook, blijf rustig."
"Heb Je hem gezien? En mama?"
"Ik heb ze allebei gezien."
Judas vraagt: "Ook onze broers?"
"Nee. Die waren er niet."
"Ze waren er. Ze wilden zich niet aan Jou laten zien, maar aan ons!
Oh! Als we een misdaad hadden begaan, zouden we niet zo behandeld zijn.
En wij die zo haastig uit Kana kwamen gevlogen, uit vreugde om hem weer te zien
en hem te brengen waar hij zo van houdt! Wij houden van hem en... en hij...
begrijpt ons niet meer… hij gelooft ons niet meer."
Judas buigt zijn arm en huilt, met zijn hoofd op de bank.
Jakobus is sterker. Maar zijn gezicht verraadt een innerlijke marteling.
"Huil niet, Judas. En jij, niet treuren."
"Oh! Jezus! Wij zijn zijn kinderen... en hij vervloekte ons.
Maar ook al drijft dit ons uit elkaar, nee, we gaan niet terug!
Wij zijn van Jou, en wij zullen van Jou blijven, zelfs als ze ons met de dood bedreigen
om ons van Jou te scheiden!" roept Jakobus uit.
"En jij zei dat je niet in staat was tot heldendom?
Ik wist het. Maar je zegt het nu zelf.
Jij zult werkelijk getrouw zijn,
zelfs tot in de dood.
En jij ook!"
Jezus streelt hen. Maar ze lijden.
Het gehuil van Judas vult het stenen gewelf.'
Reacties
Een reactie posten