heidenen niet verbieden God te noemen, te naderen


121.7

Jezus zegt:

"In Israël, waar, zoals Ik eergisteren al uitlegde, veel afgoden in het verborgene van het hart huizen, bestaat ook een hypocriete lofprijzing van God, een lofprijzing die niet geëvenaard wordt in de werken van hen die Hem loven.

In Israël bestaat ook een tendens om veel zonden te zoeken in uiterlijke zaken, en ze niet te willen vinden waar ze werkelijk zijn: in innerlijke zaken.

In Israël bestaat ook de dwaze trots, het anti-menselijke en anti-spirituele gebruik, om het uitspreken van de Naam van onze God door heidense lippen als godslastering te beschouwen.


En ze gaan zelfs zo ver dat ze heidenen verbieden om tot de ware God te naderen, omdat ze dat als heiligschennend veroordelen.

Dat was het tot nu toe.

Maar nu niet meer.

De God van Israël is dezelfde God die álle mensen schiep.

Waarom dan de schepselen ervan weerhouden de aantrekkingskracht van hun Schepper te voelen?


Geloven jullie dat de heidenen niet iets voelen in de diepte van hun hart?

Iets onbevredigds, dat schreeuwt, dat opschudt, dat zoekt?

Wie zoekt? Wat zoekt?... De onbekende God!


En geloven jullie dat als een heiden zich neigt naar het altaar van die onbekende God

– naar dat onstoffelijke altaar dat de ziel is, waarin altijd een herinnering is aan zijn Schepper,

de ziel die wacht om bezeten te worden door de heerlijkheid van God (net zoals het tabernakel

dat door Mozes werd opgericht overeenkomstig de opdracht die hij had ontvangen),

en die huilt zolang deze inbezitneming niet heeft plaatsgehad –

geloven jullie... dat God diens offer verwerpt

zoals een profanatie wordt verworpen.



En geloven jullie dat dit zonde zou zijn:

de daad, ingegeven door een oprecht verlangen van de ziel

en gewekt door hemelse smeekbeden, die zegt: 'Ik kom!'

tot de God die tegen haar zegt: 'Kom!'...


terwijl heilig zou zijn:

de corrupte cultus van een Israëliet die aan de Tempel offert wat nog overblijft na zijn genot,

en in de tegenwoordigheid van God komt, en Zijn Naam, de Allerzuiverste, noemt

met een ziel en lichaam die een wormgat van zonden zijn?


Neen!

Voorwaar, Ik zeg jullie

dat de volmaaktheid van heiligschennis in die Israëliet is

die met een onreine ziel de Naam van God ijdel uitspreekt.


Het is ijdel uitspreken wanneer je - en je bent geen gek -

wanneer je door de staat van je ziel weet dat je hem ijdel uitspreekt.


Oh! dat Ik het verontwaardigde gezicht zie van God

dat zich met afschuw afwendt wanneer een huichelaar Hem aanroept,

wanneer een onberouwvol persoon Hem uitspreekt!

En er doodsbang voor ben, Ik...

die die goddelijke Toorn niet verdien."


1 maart 1945

Reacties

Populaire posts van deze blog

Maria wil graag Elise terugzien, haar maatje in de tempel

Martha vertelt hoe haar zus heen en weer wordt geslingerd

Maria Magdalena, serafijn nu, mag zalven en aanraken