in schril contrast, het gedrag van farizeeën
168.7
Maria Valtorta:
'"Vlakbij Aqua Speciosa leefde ik als een dier in het wild, arm maar gelukkig.
En de dauw en de rivier reinigden mij, minder dan Zijn Woorden.
Oh! Niet één ging er verloren!
Eens vergaven ze een moordenaar.
Ik hoorde dat... en stond op het punt te zeggen: 'Vergeef ook mij!'
Een andere keer spraken ze over verloren onschuld...
Oh! wat een tranen van spijt!
Weer andere genazen een melaatse...
en ik stond op het punt te roepen: 'Reinig mij van míjn zonde...'
Nog andere genazen een krankzinnige, en hij was een Romein...
en ik huilde... en liet me vertellen dat vaderlanden voorbijgaan,
maar dat de hemel blijft.
Op een stormachtige avond...
verwelkomden ze mij in hun huis...
en toen lieten ze me bij de boer logeren...
en lieten een kind tegen me zeggen: 'Huil niet'...
Oh! Zijn goedheid!
Oh! mijn ellende!
Beide zo groot...
dat ik mijn ellende niet aan Zijn voeten durfde te leggen...
ook al leerde een van Zijn eigen mensen mij, 's nachts, over de oneindige Genade van Uw Zoon.
En toen, belaagd door hen die zonde zagen
in het verlangen van een wedergeboren ziel,
vertrok mijn Redder...
En ik wachtte op Hem...
Maar op Hem wachtte eveneens de wraak
van hen die nog onwaardiger zijn dan ik om naar Hem te kijken.
Want ik heb, als heiden, tegen mezelf gezondigd,
terwijl zij, God al kénnende, tegen Gods Zoon zondigen...
En zij hebben mij geslagen...
en meer dan met stenen, hebben ze mij verwond met beschuldigingen,
en meer dan in het vlees, hebben ze mij in mijn arme ziel verwond,
waardoor ik tot wanhoop ben gebracht.
O! Vreselijke strijd met mezelf!
Verscheurd, bloedend, gewond, koortsig,
zonder mijn Geneesheer, zonder dak, noch brood,
keek ik terug, keek ik vooruit...
Het verleden zei me: 'Ga terug!'...
Het heden zei me: 'Maak een einde aan je leven!'
De toekomst zei me: 'Hoop!'
Ik hoopte...
Ik heb geen einde aan mijn leven gemaakt.
Ik zou het doen als Hij me wegjoeg...
Want ik wil niet langer zijn wie ik was!
Ik sleepte mezelf naar een stad.
En vroeg om onderdak...
Maar ik werd herkend.
Als een beest ben ik moeten vluchten.
Hierheen, daarheen, altijd achtervolgd, altijd bespot, altijd vervloekt.
Omdat ik eerlijk wilde zijn, en omdat ik diegenen had teleurgesteld
die, met mij, Uw Zoon wilden slaan.
Ik volgde de rivier naar Galilea, en kwam hier...
U was er niet...
Ik ging naar Kafarnaüm.
U was net vertrokken.
Maar een oude man zag mij, een van Zijn vijanden.
En hij maakte mij tot getuige ten laste voor Hem, Uw Zoon.
En omdat ik huilde, zonder te reageren, zei hij tegen mij...
hij zei tegen mij...: 'Alles zou voor jou kunnen veranderen,
als je maar mijn geliefde wil zijn, en mijn medeplichtige,
in het beschuldigen van de Rabbi uit Nazareth.
Zeg gewoon, in het bijzijn van vrienden van mij,
dat Hij jouw geliefde was...'
Ik vluchtte weg...
als iemand die een bloemenstruik ziet opengaan
door het uitrollen van een slang.'
Reacties
Een reactie posten